Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2:6-7

liaoUeia, hier: het toekomstige, volle burgerschap van het rijk Gods, vgl. Matth. 5 : 3, aan welke uitspraak van Jezus de volgende woorden van Jakobus wel willen herinneren. Men behoeft niet naar een bepaald woord in het O. T. te zoeken. Jakobus zinspeelt telkens op de Bergrede1). Vgl. Luk. 12: 32; 1 Kor. 1 :26 vlg. Hq, attractie, § 213. God beloofde het burgerschap van het koninkrijk der hemelen niet aan ieder, maar aan die Hem liefhebben, niet omdat ze Hem liefhebben, maar omdat God ze tot dit liefhebben f'sfAé|aro. Dit liefhebben van God bereidt voor op het liefhebben van den naaste, vs 8, vgl. ook 1 : 12 en 27.

6. 'Tfieiq, gij doet juist anders als God. Onteeren n.1. door uw xQOöwnoXrifiyia, waardoor de arme achteraan komt. De aor- ge'yk meer bij Jakobus — om in één geval het geheel voor te stellen. Tdv jitu>xóv, allen, die arm zijn. Uit deze wijze van uitdrukken blijk: weer, dat Jakobus beschrijft en uitgaat van dingen, die werkelijk gebeurd zijn. Dan volgt wederom een rhetorische vraag, die handelt, over wat de arme lezers van de rijke niet-Christelijke landheeren ondervonden. Een enkele rijke moge eens uit welwillendheid in de synagoge der Christenen komen, over het geheel zijn de rijken hun vijanden. KaTaóvvaozevoi, alleen hier en Hand. 10:38, het,^ziet °P socialen druk, vgl. xavaxvQievt», xate^ovAvxoi, zij zijn het juist. De XQixriQia, de plaatselijke rechtbanken, denkelijk Joodsche. De geadresseerden woonden op meer dan één plaats, vgl. vs 2. Van geloofsvervolging is "een sprake, het gaat om gevallen als Matth. 5 : 25, 40 enz.°zijn bedoeld, al komt in den volgenden zin ook het religieuze element, maar als iets nieuws, dat de rijken ook doen, in het spel. De rijken trachten voor het gerecht den arme te onderdrukken, 5 : 6.

7. Ovx avxoi, zijn zij hel niet juist n.1. de rijken, vgl. vs 6. Jakobus komt tot zijn laatste en zwaarste argument. BXaotprjfieiv, opzettelijk^ kw^ad spreken van, dus zooveel mogelijk onteeren. 16 xa).öv üvofia zegt, dat het hier om een naam van bijzondere kwaliteit gaat. Reeds daaruit blijkt, dat de naam van God of Christus bedoeld moet zijn. Zijn de lasteraars Joden, dan denken we liefst aan den naam van Christus, ril. 2 : 9. Zeker is niet gemeend de naam XQioxiavoi, want die naam is in elk geval niet over de Christenen aangeroepen. Het karakter van den naam maakt het @2.ccG(pij(ieïv te erger. En juist dit fiJ.aoyrjfifiv moet de gemeente, die haar Heiland liefheeft, meer hinderen dan al het andere. In dezelfde richting wijst fiiixJ.ri&èv è<p vfiaq. ExixaZtiv, biddend aanroepen. De naam van Jezus is aangeroepen, opdat die den lezersten goede komen zou. Onwillekeurig denken we hier aan den Doop,

*; Zie Komm. Matth., bl. 387.

Sluiten