Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 :18

dat men toegeeft, ge hebt warmte en voedsel noodig. doch — ik doe er niets voor (/uij rftürf, een pluralis na d. w. z. er is meer met v.udtv dan met ziq gerekend) Ta èxin)<Seia, het noodzakelijke, dat noodig zou zijn. Tov aó>,uaToq, gaf men wel zielzorg, die dan niets beteekende ? Weer ri ru ö(ps).og, hier zal ieder antwoorden: geenerlei! Jakobus kan met ovtwg een slotsom trekken. De redeneering is eigenaardig. In vs 15 en 16 was niet van niotiq sprake, maar in a<fek<pö§ ij adeJ.<pt} was het feitelijk ondersteld. Ovttug zegt dan ook ondanks y.al eigenlijk niet, dat het voorafgaande een vergelijking was en dat het nu ook zóó met het geloof staat, het zegt: als het geloof aldus werkt 'II, het geloof, waarvan sprake was. Juist om de eigenaardige plaats, die de zin met ovtü)$ heeft, make men niet ovvatg xai *j| jtiVmg tot zelfstandigen zin, doch late men hem doorloopen, zoodat vsxqk èariv praedicaat is. Een dood geloof is geen geloof, geloof zonder werken kan Jakobus geen geloof noemen, (vgl. niotiq ói' ayccjzrjq èveyyovfitvrj, Gal. 5 :6), ook at zouden anderen dat willen doen (Aéyjj, vs 14). Zulk een geloof brengt geen nut, geen Otovtigia. KaO èavxóv, volgens zichzelf, overeenkomstig de wijze, waarop het zich openbaart of liever niet openbaart (Rom. 6:11; vgl. ook Hebr. 6: 1), want tot het wezen van de Jtioviq behoort het zich uiten in Ook 2 : 1 sprak Jakobus van het zich

uitende geloof, de xQooojxoJ.rjipia was een verkeerde uiting, van een goede gewaagde 3:1, hier zou elke uiting ontbreken, dat wijst op dood.

18. Vs 18 heeft tot zeer veel verschil van meening aanleiding gegeven3). Twee punten zijn in het geding: 1) is de rig, die hier spreekt, een tegenstander of een medestander van Jakobus; 2) hoever reikt hetgeen de riq zegt. 'axx' ïqei ttg herinnert aan den stijl van de diatribe2), 1 Kor. 15:35 voert Paulus ook een tegenwerping tegen zijn betoog in met ègel xiq, vgl. ook Rom. 9 : 19 ; 11 : 19. Dat onze plaats ondanks al/.d toch door exegeten van naam (Beyschlag, Mayor3) niet als tegenwerping wordt opgevat, maar als een woord van een medestander van Jakobus, vindt daarin zijn oorzaak, dat men een tegenstander niet wil laten zeggen: ov, d. i. Jakobus, Tiiaviv è'/eig, hij zou moeten zeggen: ik heb (wel) geloof, al heb ik geen werken. Dit argument gaat echter niet op. Vooreerst hebben we hier niet een werkelijken

1) Overzichten der gegeven verklaringen bij Beyschlag, Ropes, Dibelius e. a. Ropes noemt ook verschillende conjecturen, gemaakt omdat men den tekst niet te verklaren achtte.

2) Zie behalve Dibelius, a. 1., b.v. R. Bultmann, Der Stil der Paulin. Predigt, 1910, bl. 10 vlg.

3) Zahn, Einl., I, § 4, Anm. 4 denkt aan een Jood, die vs 18 en 19 spreekt. Dat zou toch wel een vreemd optreden van een Jood zijn. Waarom zou Jakobus hier een Jood laten optreden?

Sluiten