is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:1—2

HOOFDSTUK III.

3 : 1—12. De tong.

1. Verband tusschen deze pericoop en het voorafgaande is er niet. Men kan hoogstens zeggen, reeds vroeger had Jakobus vermaand voorzichtig in het spreken te zijn, 1 : 19, en ook in 2 : 14—26 bleek, dat woorden alleen geen waarde hebben. Thans wijst Jakobus op het vele, dat zoo ten goede als ten kwade door de tong kan worden gesproken. 'Aósl.tpoi fiov duidt op het begin van een nieuw onderwerp. Mij yiveo&s, § 258, hier wordt wel een bestaande zonde bestraft, Weest niet langer in grooten getale meesters ! AaWcö/.ai.Oi heeft in het N. T. goede beteekenis, Hebr. 5: 12 vinden we een verwijt, dat de lezers óióaöxaXoi moesten zijn. We kunnen dus moeilijk — b.v. met beroep op 2 Tim. 4:3 — een verkeerde beteekenis aannemen of meesterachtig vertalen. Buitendien zou daartegen zijn, dat Jakobus in den eersten persoon pluralis

1.tjfiipó/iieO-cc zegt, waaruit volgt, dat hij zichzelf tot de leeraars rekent. Trouwens ook 5: 14 wordt met ^qso^vtsqoi rjfe éxx).tjOiag feitelijk van leeraars gesproken. Jakobus is dus geen tegenstander van het leeraarsambt in het algemeen, b.v. omdat hij alleen charismatische ambtsdragers wilde. En in de gemeenten, aan welke hij schreef, zijn zoo goed als te Antiochië óióaöxaXoL geweest. Maar hij verbiedt het zoeken van het leerambt, omdat wie veel zegt, ook veel te verantwoorden heeft. Het staat er niet, maar de bedoeling zal zijn, alleen wie wettig tot óiöaöxal.oc; geroepen wordt, mag en moet als zoodanig optredèn. Wie veel op anderen aan te merken heeft, verzwaart zijn oordeel, vgl. Matth. 7 : 1 en 2, dat geldt ook voor den leeraar, hij zie dus toe niet onbevoegd en zondig op te treden. Eióózeq, daar ge immers weet, behoort te weten. Kgi/ua, het vonnis, vgl. Rom. 3:8; I Tim. 5: 12. Misschien mag xqifia hier wel in den zin van xqïóü; genomen (vgl. 1 Kor. 6 : 7), het geoordeeld worden, de beteekenis was dan: we hebben meer verantwoording af te leggen, nl. in het laatste gericht. Arjfixpó/ue&a, sparend spreekt Jakobus in den eersten persoon.

2. Een korte kernspreuk: In vele opzichten struikelen wij allen (niet alle leeraren, maar alle menschen) zonder uitzondering, dus voorzichtig, aan eigen oordeel denken! Maar vooral in het spreken struikelen we. Têi-sio^, die het hoogtepunt bereikt heeft, waarnaar 1 : 4 opwekte te streven, en dus in staat om alle leden van zonde terug te houden. Tö awfia, niet omdat Jakobus de zonde in het lichaam plaatst, vgl. 1 : 13 — 16, maar omdat hij ziet, dat, gelijk bij het spreken, het lichaam vaak aanleiding en orgaan der zonde is. rÜQ, immers, wie als