Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3:7-9

hier denkt aan de werking van de tong bij hen, die God niet vreezen of althans aan de zonden der kinderen Gods. Dat in dit vers de tong en niet b.v. het hart tot orgaan van de ongerechtigheid wordt gemaakt, komt omdat Jakobus uitging van het didaOxaAoq zijn, vgl. ook Matth. 15: 11. 7, 8. Var,, Jakobus gaat de waarheid van de zoo pas neergeschreven bewering in het licht stellen. 4>voi<;, hier gebruikt voor de geheele soort, die een bepaalde natuur heeft, de soort bezien naar haar natuur, vgl. het Latijnsche natura. Daarom kan een breede opsomming volgen van verschillende soorten van dieren, al die soorten met die verschillende naturen, zoo wordt xaoa toegelicht. Paarsgewijze verbonden noemt Jakobus roofdieren en vogels, kruipende en zeedieren. Natuurlijk is dit niet een wetenschappelijke opsomming, maar een, die let op wat men ziet: loopen, vliegen, kruipen, zwemmen. Ze herinnert verder aan Gen. 1 : 26; 9:2. dafid^erai xal óeódfiaotai, het geschiedt nog dagelijks, het is gebeurd en de gevolgen er van zijn nog te zien (perf.) b.v. in de dieren, die geregeld in dienst der menschen worden gebruikt. 'H <pvoiq // av&Q<o7iivri, natuur, soort wordt tegenover natuur, soort gesteld. Hier blijkt de macht der menschelijke <pvoiq. Tegenover de tong staat alle kracht des menschen verlegen, zoo groot is haar macht. De mensch zou réJ-eiog moeten zijn om de tong te beteugelen, 1:4; 3:2. Uit het vorige moet een subject_ afgeleid worden n yldtooa, waarbij als praedicaat vomen ccxaozctTov xctxov en fisovij iov &ctvciTrnpÓQov, Nu het subject niet staat uitgedrukt, krijgen de praedicaten min of meer de beteekenis: daar ze immers is, of: kwaad als ze is etc. Men zou bijna aan twee uitroepen kunnen denken. 'Axardotutov xaxóv, een onberekenbaar kwaad, men weet nooit, wat e tong doen zal, nooit staat ze stil. Dood aanbrengend slangenvergif ziet op het vele slechte, dat door de woorden der menschen kan worden bewerkt, vgl. Ps. 139 (140): 4.

f Ev> na^uurliJk door de tong, de uitdrukking zelf

trett. h,v/.oysiv, prijzen. Jakobus spreekt nu weer in den eersten persoon, als vs 1 vlg., wel om te verzachten, om te laten gevoelen, dat hij zelf ook zondaar is. Töv xvqiov xal natiqa, vgl. 1:26, den Heere, Die ook onze Vader is (niet van Christus, maar van God) geeft aan, hoe hoog we stijgen en hoe innig het verband is, vgl. Jes. 64: 16/Maar diezelfde tong ontziet zich niet om te vloeken, d. i. in naam Gods Kwaad te spreken over de menschen, die naar Gods beeld zyn geschapen, een echt Joodsche (Jodenchristelijke?) zonde.

oeken behoeft op zichzelf geen zonde te zijn, het is dat, als het een vloeken zonder grond is, vgl. 5 : 12 en Job 31: 29, jO. n et is des te erger, omdat het zich richt tegen wezens, W1,e zo°, 'ets heerlijks gezegd kan worden, als nu volgt. Voor av.9Qto.rovg staat het lidwoord, Jakobus bedoelt die

Sluiten