is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4:6

°n\ Wf0nen' Is f.!t de eenig mogelijke opvatting, dan verdient het aanbeveling God ook tot object van txwo9eZ te maken, en het geheele vers wordt: (God) begeert totjaloerschheid toe den geest, dien Hij m ons doet wonen. Daarbij kan -tvsvua, dan adem zijn leven als 2 : 26, het hoogste deel van s menschen zieleleven, misschien ook het nieuwe icvevua, het geheiligde leven. Veel verschil maakt dit feitelijk niet. In elk geva is de beteekenis, dat God zonder voorbehoud of uitzondering ons leven opeischt, vgl. 1 Kor. 6: 19; 2 Kor. 6:16. In het verband past een dergelijke uitspraak uitnemend, vs 4 wordt er inderdaad door bewezen. Blijft nog de vraag, welke yQ«<Pn is gemeend. Letterlijk vinden we de plaats in het O. T. niet. Dat Jakobus een apocrief geschrift zou citeeren b.v., als bpitta meende, de profetieën van Eldad en Medad, is niet te bewijzen en a priori weinig waarschijnlijk. Beter is het aan te nemen, dat Jakobus een samenvatting gaf van enkele p aatsen, een samenvatting, die misschien reeds vóór hem gemaakt was en een min of meer stereotypen vorm had aangenomen, een geval dus als van Matth. 2 : 23; 1 Kor 2 ■ o • ■Hf. 5 : 14 (?)• We kunnen denken aan Gen. 6 : 3—7 • Exod 20 ■x tÜ 5k' DeUf; 3,2 passim" Vaststaat, dat de plaats zoowel voor "■ehad") V°°r ^ CerSte 'eZerS bewiJskracht moet hebben

f- Vht" é;ó('"jL\ nemen we na de gegeven verklaring

het best God als subject. Dan kan God ook subject van 7 rzlJ"en 's fr overeenstemming. De Schrift zegt niet te vergeefs, dat God een ijverig God is, het is ook een genade Hem in overeenstemming daarmede in alles geheel temogen dienen, maar God geeft toch grooter genade n.1. door den nederigen X«9'S te schenken, terwijl dan zaxeivóq zijn inhoudt, het zich niet tegen Hem verzetten, maar Hem dienen naar Zijn bevel A«P<c, waarin die bestaat, wordt niet nader omschreven dus plempt611 mk rulm!len zin' het c'taat moet er het positieve 7SI h tl , Het laatste lid van het "laat is zeer

Wc , 'a,ngrlJ St]e' maar het eerste is toch ook van beteeenis, omdat het nader spreekt over het èxuto&eiv Gods Jé

WnJt ^ 6enu tegenStellir)S; de gave Gods, die bij Zijn 'ijver \ CerSte <Slómaiv X"Qlv is a- h. w. genomen

vaststaande deugd Gods, die heel de Schrift eert, omdat God zoo is, daarom zegt Hij ook etc., vgl. Ef. 4:8;

*) Het is niet mogelijk om blijvende binnen den omvang van dit boek al de opvattingen te bespreken, die van dit vers zijn gegeven. Men zie nZn°hfarr'- d" °°k bewijsP^tsen biedt voor IJS in de aangèsche litteratuurnI" voorts Alford, Ropes, a. 1. Van do NederlandKhV K pZï nT°S p'"0em het artikel vaQ J- ab Utrecht Dresselhuis Bi,dr t. bev. B.jb. U.tlegk,, 5, .849, bl. 66 vlg. De woorden

SiSaCiv xuqiv behooren niet tot het citaat, ze zijn van Jakobus die ze ontleent aan en bewijst door het volgende citaat. J '