is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4: 15-17

morgen niet eens weet. Soms verbindt men; gij die van morgen niet ^ eens weet, hoedanig uw leven is. Daar is tegen, dat «Tfiii 3'(IQ ia re dan in de lucht komt te hangen. Het vers zegt dus eerst, dat de lichtvaardige handelaars niet eens van morgen d. i. ten opzichte van één dag zeggen kunnen, hoe het zal gaan. Hun leven is een damp enz. rdf>, duidt aan, dat het antwoord niet van een ander wordt verwacht, maar door Jakobus zelf gegeven. Hoia etc. rhetorische vraag, onderstelt als antwoord: het is niets, want het is een damp enz. Subject wordt gij, it ycuvo/uévtj hoort bij het praedicaatsnomen t'iTfiig. Door deze subjectsverandering van uw ?.en„ 'n KV wordt het nog krasser. IJqo^ ö/.iyov, voor korten tijd. Extixa xai, d.w.z. het gaat altijd zoo, het behoort tot tot het karakter van een damp om onzichtbaar te worden. I\Ien lette op de woordspeling (pccivo/uevTj —

Zie nog Job 7:7; Ps. 39 :6, 12; 102 : 4.

15. Vs 15 zegt Jakobus, hoe de houding van den Christen behoorde te zijn en waarvoor de verkeerde houding in de plaats kwam (avri). Avxl rov Xéyeiv, § 321. Aéyeiv komt overeen met XéyovTsq, vs 13. Omdat 9-eli'jUtj coniunctivus is, tyiaofiev en xoi>t<Joiitv beide indicativus, vertale men: indien de Ileere wil; zullen we zoowel leven, als dit of dat doen 1). De nazin houdt dan rekening eerst met wat Jakobus over het menschelijk leven zeide, daarna met wat den plannenmakers in den mond werd gelegd en beide wordt afhankelijk gemaakt van Gods willen. Niet natuurlijk, alsof God daarover iets openbaren zou in woorden, maar het besef behoort te leven, dat heel ons bestaan in de hand des Heeren ligt en wij vertrouwend hebben af te wachten, wat Hij doet, dat is het kenbaar maken van Zijn wil. Tovro }} èxeivo, alles, wat men zich voornam.

16- Thans teekent Jakobus met riv den feitelijken toestand. De lezers roemen midden in hun overmoed. De pluralis aïutov^uci wijst op de herhaalde gevallen. Een staaltje van uien overmoed gaf vs 13. Al zulk roemen is boos, omdat het den mensch verheft ten koste van God, er niet mee rekent, dat God regeert, vgl. vs. 12.

17. Jakobus besluit weer met een algemeene spreuk. Bij hen

') Ook als men gtjetafitv, rronjaumsv leest, wat o. i. geen aanbeveling verdient, moet op grond van het dubbele xai de in den tekst gegeven woordverbinding worden gekozen. Ropes beweert, dat èdv ó xt'jios &sXrjarj meer een Hellenistische, dan een Joodsche uitdrukking is. Met het oog op plaatsen als Hand. 18:21; 1 Kor. 4: 19; 16 - 7 Hebr. 6:3 is dit moeilijk vol te houden. In elk geval blijkt'daaruit', dat wat Jakobus hier schrijft, een echt Christelijke gedachte is. Maar ze is voor iemand, die in een God gelooft, ook weer zoo voor de hand liggend, dat het niet behoeft te verwonderen, als we haar ook in heidensche religies vinden (plaatsen bij Ropes, Dibelius e. a)