is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5:1

is boosheid, ze weten toch wel beter, Luk. 12 : 47; Joh. 9 : 41. In elk geval heeft Jakobus hun nu herinnerd, dat er een xcikóv (zonder lidwoord, het gaat niet om een bepaalde daad, maar om het algemeene) is en zijn ze er mede op de hoogte. Doen ze dan toch dat y.alóv niet, dan is het zonde. Ovv, dit vers kan een conclusie zijn, omdat het algemeen maakt, wat in een speciaal geval was uitgewerkt 2). Gaan ze met dat bijzondere door, dan zou dat algemeene van hen gelden. Oióa met infin., Matth. 7:11; 2 Petr. 2 : 9. Blijkens de plaatsing der woorden valt op eidótl en fii\ itoiovvti de nadruk, dan weer op icficiyzia. Avtoj, § 211. Het krasse afiaQxia aan het slot met het persoonlijke ctvzoj moet wakker schrikken. 13—17. Jakobus spreekt hier nu niet over de landarbeiders, maar over de reizende kooplieden. Hun bestaan stelde hen weer aan bijzondere zonden bloot. Ze maken berekeningen en gaan hun gang, ze moeten leeren dat vroomheid alles in de hand Gods stelt. Wie dat niet doet, zondigt.

HOOFDSTUK V.

5: 1—6. Veroordeeling der rijken.

1 • Jakobus keert zich nu tot de rijken buiten de gemeente, die hij streng bestraft, vgl. bij 1:9 vlg. Dat Jakobus deze menschen aanspreekt, zegt niet, dat ze tot de gemeente behooren. Ook de oude profeten spraken de volken aan, over wie ze het oordeel Gods aan Israël predikten, al waren die volken ver weg, vgl. b.v. Jes. 13:6; 16:3; 33: 1. Elke vermaning tot bekeering, elk wijzen op Gods genade ontbreekt, (anders 4 : 15). Dat Jakobus aldus breed het oordeel over de rijken profeteert, is om de geloovigen, die door hen onderdrukt werden, te troosten, vgl. ovv vs 7. 'Aye vvv, vgl. 4 : 13; ot of omdat als 4:13 v(iei$ wordt bijgedacht, § 224, öf als aanduiding van den vocativus, § 116, 4; 226. Thans wordt niet als in 4 : 9 allereerst vermaand om zich innerlijk ellendig te gaan gevoelen, maar dadelijk opgewekt tot uitwendig betoon van droefheid: weent. Dit behoort tot de redefiguur, die

*) Dibelius oordeelt, dat vs 17 in het geheel niet past in het verband, m. n. omdat het handelt over peccata omissionis, terwijl het verband spreekt van peccata commissionis en ook „Stichworte" verbinding ontbreekt. Wanneer Jakobus echter 4: 15 schrijft è.vx\ xov Xtysiv vfiag, dan is dat de aanwijzing van iets, dat ze nalieten, hoewel ze blijkbaar wisten, dat ze zoo moesten spreken. Het is toch niet zóó, dat vs 15 iets noemt, dat hun nog nooit voorgehouden was, dan paste het slecht na vs 14, dat een algemeen bekende waarheid bevat. Dibelius zelf spreekt van „eine (rhe(orisch) fragende Bedeutung der Worte".