is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5: 13-14

telijk geen verschil. Soms: van u zij het ja ja, neen neen, n.1. zóo als het in Matth. 5 gezegd wordt, welke plaats Jakobus zou citeeren *). Dat is te veel gezegd. Het geschreven evangelie van Matth. bestond nog niet en dat Jakobus een woord van Jezus aldus zou vermelden, kan moeilijk worden aangenomen. Anders: uw ja zij ja enz. d. w. z.: spreekt de waarheid. Deze vertaling is mogelijk, past echter hier niet. Daarom liefst: uw ja zij een ja, n.1. een eenvoudig ja, zonder dat er iets (m.n. een eed) bijkomt, lfixteiv vtcó als 2 Sam. 22 : 39; Ps. 18(17): 39. De beteekenis is neervallen onder iets, d. i. bezwijken onder (dus niet ons: ergens onder vallen, d. i. toe behooren). Koioiz mist het lidwoord. We denken daarom het best aan beoordeeling in het algemeen, ze kan komen in den tijd, komt bij het sterven, bij het laatste oordeel. Gelijk in dit gansche hoofdstuk wordt de xqiöiq op de wijze van de Oudtestamentische profeten als één geheel genomen. lIL-trut v.ió y.Qtaiv, in het oordeel veroordeeld worden, omdat ge door onnoodig zweren Gods naam hebt misbruikt. 13 2). Een nieuwe korte vermaning. Vragen en antwoorden doen als 3:13 den dienst van een voorwaardelijke constructie. Kaxoxa&eïv, er slecht aan toe zijn, in welk opzicht dan ook. Tegenover de verkeerde reactie, waarvan in dezen brief meer dan eens sprake is geweest, vgl. 1:13; 5:9, wekt Jakobus op om te bidden, Ps. 50(49): 15. In verband met het volgende rpc'cD.siv zal xQooevxeofbai de beteekenis aanbidden insluiten, het is gebed om uitredding, dat begint Gods bestel te billijken, zie op Hebr. 13:18. Is iemand goedsmoeds, dan prijze hij daarvoor God in psalmen, Kol. 3:16. Wa).).eiv, eigenl. de citer tokkelen, dan psalmzingen. Dit vers is wel in groote tegenstelling met het on-vd'itiv, waarvan vs 9 sprak. Alle uiterlijke omstandigheden moeten naar God leiden. 14. Dat Jakobus het bidden voor zieken breed uitwerkt, doet vermoeden, dat het hem daarom bovenal te doen is. Anders gezegd, van de tot het zaxoxcc&eiv te rekenen gevallen, zal men m. n. in ziekte niet goed hebben gehandeld. In welk opzicht hooren we niet. Vermoed kan worden, dat het gewone euvel aanwezig was, alles zoeken in en verwachten van den lichamelijken weg, de ziel er buiten laten, Jakobus wijst op de geestelijke zorgen. 'AoOeveïv, ziek zijn, gelijk telkens in de evangelien. ll(jea[tvxeQoi zf/g èxxi.ijaiccg, er staat niet itQSOfivzeyoi zonder meer. Dat brengt op de gedachte, dat er nog slechts een

lj Zoo ongeveer ook A. v. Veldhuizen, Nieuw Theol. Stud., 2, 1919, bl. 54-

2) Men zie bij deze verzen E. M. Wilson, The Anointing of the sick in the Epistle of James, Princet. Theol. Rev., 19, Jan. 1921, bl. 64 vlg. Wilson stelt in het licht, dat de zalving niet medisch, maar symbolisch was, misschien samenhangt met de charismata, zeker niet als blijvende instelling was bedoeld.