Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als eerste oorzaak noemen wij het vraagstuk der kennis. De Engelsche wijsgeer John Locke deed eens in een gesprek met enkele vrienden de ervaring op, dat men over principieele vraagstukken, wanneer eenmaal de beginselen waarvan men uitgaat verschillend zijn, nooit tot overeenstemming komen kan. Het is volkomen nutteloos te debatteeren over zulke geweldige problemen, want eenig resultaat kan men daarmee onmogelijk bereiken. Deze ervaring was voor Locke oorzaak diepere studie te maken van het menschelijk kenvermogen. Hoe komt het toch dat wij over zulke diepe vraagstukken niet tot helderheid komen kunnen? Is het menschelijk verstand wel bij machte ooit zoo ver door te dringen? Schuilt niet alle verwarring op godsdienstig en wijsgeerig gebied in het nuchtere feit dat wij ons met ons verstand werpen op problemen die wij toch nooit kunnen oplossen?

Het stellen van deze vraag was aanleiding tot een reeks van interessante onderzoekingen op zielkundig gebied. Allereerst werd door Locke zelf en door anderen vastgesteld, dat de mensch bij zijn geboorte geen ingeschapen begrippen of voorstellingen met zich meebrengt, maar dat hij tot het verkrijgen van kennis heel eenvoudig op de zintuigelijke waarneming is aangewezen. Dit alleen al was een resultaat dat op het toenmalige denken buitengewoon heeft ingewerkt. Maar daarmee was men allerminst klaar. Nu was men immers ook verplicht zich ernstig rekenschap te geven van de methode waarlangs wij tot diepere kennis komen. Locke en zijn opvolgers nu waren van oordeel dat de mensch begint bij het simpele, de gewaarwording, en vandaar opklimt tot het samengestelde, begrip en idee. Zoo werd dan vanzelf bloot gelegd heel dat ingewikkeld apparaat waarmee wij de zintuigelijke indrukken verwerken, er boven uitgrijpen, vandaaruit tot de hoogere begrippen doordringen. De vraag hoe wij tot kennis komen, hoe onze ziel de gewaarwordingen gebruikt en verwerkt, was een vraag die al de denkers van die dagen heeft bezig gehouden.

Wat nu het terrein der waarneming betreft, Locke was de overtuiging toegedaan dat er tusschen tweeërlei waarneming onderscheiden moet worden, de uiterlijke en de innerlijke. De uiterlijke waarneming noemde hij sensatie, zij brengt ons in aanraking met de wereld buiten ons, op haar rust de kennis der natuur enz. De innerlijke waarneming werd „reflexie" geheeten. Deze reflexie, weerspiegeling, stelt ons op de hoogte van wat er in ons eigen bewustzijn plaats grijpt. Wij denken en tegelijk weten wij dat wij denken, wij zien en weten dat wij zien, wij willen en weten dat wij willen. Kortom er is in ons altijd iets dat het zielsgebeuren zelf opneemt, bewaart, verwerkt. Op deze reflexie is de zielkunde gebouwd, krachtens haar kunnen wij doordringen tot de vraag hoe wij tot kennis komen. Welnu, beide sensatie en reflexie leveren ons de bouwstoffen, die wij gebruiken bij het opbouwen van ons wereldbeeld. Maar omdat wij, naarmate wij tot de reusachtige wereldproblemen afdalen, ons al verder verwijderen van de gewaarwording, van de eenvoudige bronnen van onze kennis, wordt daarbij het gevaar voor verwarring voortdurend grooter. Dat is dan ook de oorzaak dat men het over God en schepping en zulke vragen meer toch nooit eens kan worden.

De grondgedachten van Locke werden niet lang daarna verder uit-

Sluiten