is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van psychologie zijn gegeven, de zoogenaamde rationeele en de empirische zielkunde. De rationeele houdt zich bezig met de vraag naar het wezen der ziel. Welnu, van haar zegt Kant zonder voorbehoud dat zij onmogelijk is. (Kritik der reinen Vernunft, Reclam blz. 322). De empirische zielkunde, die zich bezig houdt met de zielsverschijnselen, kan evenwel geen aanspraak maken op den naam van wetenschap. Zoo moet dus de psychologie uit de reeks van wetenschappen geschrapt worden.

Niettegenstaande Kant op deze wijze over de zielkunde gericht gehouden heeft, heeft hij toch verschillende gedachten geopperd die voor de ontwikkeling der zielkunde niet zonder beteekenis waren. Allereerst toch heeft hij met groote vasthoudendheid het pleit gevoerd voor de vrijheid van het ik. Wel erkent hij ten volle dat dit begrip theoretisch eigenlijk een onding is, maar hij waagt het op grond van de noodzakelijkheid der moraal tot die vrijheid te besluiten. Van elk zedelijk gebod is altijd de onderstelling dat de mensch het houden kan, dat hij tot het houden geroepen, en daarvoor verantwoordelijk is. Alle moraal rust op de onderstelling der vrijheid. Met het een valt ook het andere. Welnu, in naam der moraal, in naam van het practische leven eischt Kant de vrijheid van den menschelijken wil. Ziet men daarentegen het zieleleven als een keten van verschijnselen, dan kan men niet anders dan vasthouden dat alles onder de macht der noodzakelijkheid ligt: de mensch een machine.

Kant is van meening dat de menschelijke ziel drie vermogens bezit, het kenvermogen, begeervermogen en gevoelvermogen. Naar dit schema heeft hij ook zijn drie voornaamste werken geschreven, de critiek der zuivere rede, de critiek der practische rede en de critiek des gevoels. Deze driedeeling der psychologie heeft bij velen navolging gevonden en heeft ook in de wijsbegeerte groote beteekenis verkregen.

De opvolgers van Kant hebben evenals hij den nauwen band tusschen zielkunde en wijsbegeerte gehandhaafd. De psychologie wordt als het ware geheel in de wijsbegeerte opgenomen, de wijsbegeerte wordt uit de psychologie uitgebouwd. Het sterkst is dit het geval bij Johann Gottlieb Fichte (1762—1814). Bij Hegel (1770—1831) heeft de zielkunde een voorname plaats gekregen in het systeem der wetenschappen. Zij bestaat uit drie deelen, waarvan het eerste behandelt het rapport tusschen lichaam en ziel, het tweede zich bezig houdt met het bewustzijn in zijn ontwikkeling tot het zelfbewustzijn en het derde zich rekenschap geeft van de functies van den menschelijken geest. Deze functies zijn ook weer drieërlei, ten eerste het verstand, ten tweede de begeerte, en ten derde de verbinding van die twee, de redelijke begeerte of wil. Zoo had Hegel een logische indeeling der zielkunde verkregen en tegelijk aan de psychologie een plaats gegeven in het geheel aller wetenschappen.

Gemeenschappelijk aan al deze vertegenwoordigers der nieuwere wijsbegeerte is de groote afkeer van de oude associatie-psychologie. Meermalen laten ze zich schimpend over haar uit. Hegel heeft b.v. aan zijn spot aldus uiting gegeven: „ten eerste zijn het geen ideeën, die geassocieerd worden, en ten tweede zijn de betrekkingen ertusschen geen wetten". De negentiende eeuw spreekt zich aanvankelijk onvoorwaardelijk tegen de achttiende eeuw uit en verwerpt de gedachten die eertijds zulk een ontzaglijken opgang maakten. En zij doet dat met geen andere bedoeling