is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

materiaal en de zoo exact mogelijke verwerking, de laatste voor de juiste interpretatie. Naast het practische onderzoek staat alzoo het theoretische.

In 1911 verschijnt: „Die differentielle Psychologie", welk werk op zichzelf reeds een ommekeer beteekent. Heeft men bij het experiment zich tot nog toe beziggehouden met algemeene wetmatigheden zooals die zich bij alle individuen voordoen, hier wordt de weg gewezen om na te speuren, hoe die wetmatigheden op geheel onderscheiden wijzen zich manifesteeren bij bepaalde groepen van menschen, bij typen, zoo mogelijk bij enkelingen. Tot 1933 vond het begaafdheidsonderzoek, het intelligentieprobleem in Hamburg bijzondere belangstelling.

In aansluiting hieraan moge Kohnstamm te Amsterdam worden genoemd, wiens denkrichting en arbeid sterk aan die van W. Stern herinneren. Wat het experimenteele kinderonderzoek betreft verdient speciale vermelding de arbeid van Waterink, wiens „Paedologisch Instituut" te Amsterdam eenig is in zijn soort; theorie en practijk zijn hier op voortreffelijke wijze vereenigd.

Een scherpzinnig leerling van Wundt, Osw. Külpe, professor te Würzburg, weet omstreeks 1900 zelf school te maken. Hij werkt enkele grondgedachten van zijn grooten leermeester nader uit en inspireert verschillende zijner volgelingen, de klassieke associatiepsychologie aan een critisch onderzoek te onderwerpen. Ach, Bühler, Messer en Selz zijn nu nog klinkende namen.

Ze beschouwen de oude psychologie als absoluut onvoldoende ter verklaring der hoogere functies. Met behulp van associaties alleen, hoe ook beschouwd en geformuleerd, kan men noch het denken, noch ook het willen ook maar bij benadering verstaan.

Op vernuftige wijze onderzoeken zij experimenteel het denk- en wilsproces. Ze komen al spoedig ertoe, psychische acten aan te nemen, die niet maar zoo in de lucht hangen, of aan het toeval, of aan een toevallig zeer sterke voorstelling, maar die uitgaan van een ik, dat de centrale directie voert. De causaliteit van voorheen vervalt en maakt plaats voor een gedetermineerd zijn der activiteit door bepaalde doelstellingen, waarop het ik zich richt of door de taak, waarvoor het is geplaatst.

De verschillen met de oude school — welke evenzoovele verbeteringen beteekenen — springen onmiddellijk in het oog. Tegenover mechanistische associatie, passiviteit en receptiviteit stellen zij de activiteit en spontaneïteit van een ik, dat de acten voltrekt. In de plaats van de vlakke, diffuse voorstellingswereld der associatiepsychologie — waarin, lijnrecht tegen alle ervaring, de sterkste voorstelling telkens de leiding zou moeten hebben — aanvaarden zij een centrale, van het ik uitgaande leiding.

De Würzburger aktpsychologie oefent in het bijzonder op de paedagogische psychologie ook thans nog invloed uit in volle kracht. Niet het minst door de belangrijke geschriften van Karl Bühler en zijn vrouw Charlotte. Die geistige Entwicklung des Kindes (5e dr. 1929) van eerstgenoemde is een standaardwerk. Charl. Bühler heeft zich verdienstelijk gemaakt door fijnzinnige studies, zoowel t.a.v. de rijpere jeugd — voornl. het meisje — Das Seelenleben des Jugendlichen (5de druk 1929), waarin meer dan 50 volledige dagboeken zijn verwerkt, alsook met betrekking tot