Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langen naar God, of de liefde tot God. Zoo geeft ons de Schrift een diep inzicht in de motoren van het menschelijk zieleleven, in de krachten die de functies in beweging zetten. Hier staan wij dan ook voor het verschrikkelijk verschijnsel van de zonde. De mensch, die zichzelf tot een God wil zijn, die in zichzelf de volheid van zijn leven zoekt, heeft de verhouding tot God en tot zijn naaste ten volle verdorven. Wij zijn geneigd God en onzen naaste te haten.

Indeeling. Wij willen ons onderzoek verdeelen in twee hoofddeelen, een Analytisch en een Synthetisch deel. In het Analytisch deel komen de vijf grondfuncties aan de orde. In het Synthetisch deel krijgen we te doen met de daarachter liggende zedelijke krachten van de liefde, met de organisatie van de persoonlijkheid, het karakter, het menschelijk bewustzijn, met nieuwe richtingen in de zielkunde en met enkele principia.

5. De Methode.

De psychologie moet van de feiten uitgaan, moet op ervaring gegrond zijn, zoo heet het telkens weer. Eigenaardig is evenwel, dat „feitelijkheid" blijkbaar niet zoo gemakkelijk is te constateeren, dat dezelfde zoogenaamde „feiten" door de uiteenloopende richtingen zeer verschillend worden gezien, beschreven, gewaardeerd, geïnterpreteerd. — Een voorbeeld. Het is een feit, dat zich in den mensch krachten bevinden welke achter alle gedragingen staan, welke alle handelen mogelijk maken, resp. veroorzaken of bepalen. De vraag is nu: van welken aard zijn die krachten, van waar komen ze? Men zou zoo zeggen: dat valt te constateeren, daarop geeft de ervaring een antwoord. Maar wat bemerkt men? De één zegt: „Volgens de ervaring komen die krachten van beneden, uit de materie, uit de lichamelijke substantie; alle handelen is daarmede gedetermineerd, geheel en al causaal bepaald; er is dan ook geen schijn van wilsvrijheid, voor geen zijner daden is de mensch verantwoordelijk". Een tweede meent: „Volgens mijn ervaring komt de kracht van boven; de geest is het, die de normen stelt, de handeüngen beheerscht, waaruit de gedragingen voortvloeien; voor alles wat de mensch doet is hij dan ook ten volle verantwoordelijk, want het karakter is de vrije daad van de rede; het „wils-ik" is de absolute oorzaak van alle toestanden, het schept zich zelf en alle realiteit; de geest handelt autonoom. — Een derde beweert: Niet de stof, niet de geest, maar wat daartusschen ligt, of liever, wat beide vereenigt, n.1. het leven is de krachtbron; de driftenergieën zijn beslissend; alle doen is afhankelijk van het driften-systeem; en volgens de ervaring hangt het van de verhoudingen in dit systeem af, hoe gehandeld wordt.

Men ziet, de feiten-zonder-meer spreken allerminst een duidelijke taal. Wat men ervaring gelieft te noemen is verschillend al naar dat men van te voren het standpunt inneemt van den materialist, den idealist of den biologist.

Zoo kan het voor den schriftgeloovige nooit enkel het „materiaal" alleen zijn, dat het eerste en laatste woord spreekt. Steeds stelt hij het materiaal in samenhang met de beschouwing welke hij — op grond van schriftuurlijke aanwijzingen — omtrent den mensch in zijn geheel alsmede in zijn verhouding tot medemensch en Schepper van te voren huldigt.

Sluiten