is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEEL I.

ANALYTISCH DEEL.

HOOFDSTUK I.

DE ONTVANGENDE FUNCTIE.

6. Het menschelijk zenuwstelsel.

De bouw van het zenuwstelsel wijst reeds uit dat de drie groote functies zijn: het sensorisch opnemen van prikkels en het geleiden naar de centrale deelen, het associatief overbrengen van de door die prikkels gewekte beroering naar andere, correspondeerende deelen van het stelsel, en in de derde plaats het motorisch zich ontladen in de musculatuur. Dat is de eenvoudigste nerveuze functie en tegelijk de basis van het zieleleven.

Inmiddels bestaat er hier onderscheid, niet zooveer in de functie zelf dan wel in de waarde ervan voor het zieleleven. Het geheele centrale zenuwstelsel wordt vaak onderscheiden in drie groote deelen, het ruggemerg, de daaraan aansluitende deelen (subcorticale centra) en de eigenlijke hersenen. Wanneer nu een overgang van sensorische prikkel tot motorische ontlading plaats heeft in het ruggemerg, spreken wij van een reflexbeweging. Zulks reflexbewegingen geschieden als het ware automatisch, en worden door ons veelal eerst opgemerkt wanneer ze al geschied zijn.

De reflexbewegingen zijn in zeer veel opzichten een ontzaglijk raadsel. Er zijn er die wij in het geheel niet kennen en ook in het geheel niet beïnvloeden kunnen. De werkingen van de maagspieren, van de hartspieren, de werkingen van sommige oogspieren, waardoor onze pupil zich verwijdt of vernauwt naar gelang van de hoeveelheid licht die ons toevloeit, en vele andere kunnen wij noch opzettelijk teweegbrengen, noch opzettelijk verhinderen. Ze geschieden in ons, binnen ons, maar ze gaan toch volkomen buiten ons bewuste leven om. Andere reflex-bewegingen kunnen wij in geringere of sterkere mate beïnvloeden. Zoo b.v.

e neiging tot krabben bij jeuk, tot hoesten bij kriebeling in de keel, tot lachen bij kietelen enz. Nog weer andere zijn oorspronkelijk opzettelijke bewegingen geweest, maar eerst langzamerhand reflexbewegingen geworden De bewegingen bij het loopen, spreken, enz. hebben b.v. aanvankelijk zeer veel oefening vereischt, maar zijn langzamerhand door de dagelijksche oefening zuivere reflexen geworden. Kenmerkend evenwel voor alle reflexbewegingen is hun regelmatigheid, eenvormigheid en hun