Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. De gewaarwordingen.

Wij hebben bij de gewaarwordingen te doen met een geheel van groote verscheidenheid. Wanneer we ons er een oogenblik rekenschap van geven, bespeuren wij de meest uiteenloopende soorten van gewaarwordingen die ons van alle kanten als het ware bestormen. In de eerste plaats zijn er immers de gezichtsindrukken, die een rol in ons leven spelen, dan de gehoor-indrukken, de gewaarwordingen van warmte en kou, van smaak en van reuk en hoevele andere niet meer. En al deze soorten van gewaarwordingen zijn onderling volkomen onvergelijkbaar, hebben als het ware geen enkel punt van contact. Een geluid is iets gansch anders dan een kleur, en een bepaalde smaak iets dat in alle opzichten verschilt van een gevoel van hard of zacht, of van warm of koud. Het zijn bij wijze van spreken geheel verschillende werelden die in en door elkander liggen, maar die toch elk voor zich eigensoortig zijn. En daarbij, doet zich nu van stonde aan de vraag voor: vanwaar komt deze verscheidenheid? Zijn het werkelijk verschillende gewaarwordingen, of zijn het gelijksoortige indrukken, die door ons alleen op verschillende wijze worden uitgelegd?

Voorop zij gesteld dat deze vraag eigenlijk niet in de zielkunde thuishoort, maar in de wijsbegeerte. De zielkunde kan blijven staan bij het eenvoudig constateeren der verscheidenheid, zonder zich af te vragen waaruit zij ontstaat, welke werkelijkheid aan haar beantwoordt. Maar omdat er bij deze vraag zulke uiterst belangrijke gevolgtrekkingen gemoeid zijn, is het van groote waarde haar ook in de zielkunde onder de oogen te zien.

De meest voor de hand liggende en van ouds traditioneel erkende opvatting is, dat tal van onderling verschillende indrukken van de buitenwereld tot ons doordringen, die door de van nature op deze indrukken aangepaste zintuigen worden verwerkt en aan het hersensysteem worden overgebracht.

Kentering is er ten opzichte van dit vraagstuk voor het eerst gekomen door de belangwekkende onderzoekingen van den physioloog Johann Müller (1826). Door hem en ook door latere psychologen werd opgesteld en verdedigd het zoogenaamde beginsel der spezifische Sinnesenergien. Kort geformuleerd behelst deze theorie dit: dat de groote, fundamenteele verschillen van de soorten onzer gewaarwordingen op een of andere wijze berusten op specifieke eigenaardigheden van de organen door welke ze tot ons komen, en van de zich daaraan aansluitende gebieden van het centrale zenuwstelsel, maar dat zij daarentegen van de hoedanigheid der van buiten toetredende prikkels betrekkelijk onafhankelijk zijn. De grond voor dit beginsel is, dat onze verschillende zintuigen steeds op hun eigen bijzondere wijze reageeren. Zoo brengen ons de oogzenuwen altijd lichtindrukken over. Wanneer van buiten licht tot ons toevloeit doen ze dat, maar ze doen het ook wanneer zij door druk of stoot, of electrische inwerking, of ook innerlijke pathologische aandoeningen geprikkeld worden. Om een indruk van licht of kleur te verkrijgen, is daarom geen licht of kleur vereischt, maar elke aandoening van de oogzenuwen, onverschillig welke, geeft in dat opzicht hetzelfde resultaat. Hetzelfde nu wat geldt ten opzichte van het oog, geldt in . anderen vorm ook van

Sluiten