is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook alle gelijk geschat worden. Wanneer ik b.v. bij een gewicht van 20 gram 1 gram en bij dat van 100 gram 5 gram moet voegen om het onderscheid te kunnen bemerken, zal ik die eene gram van het eerste geval gelijk voelen aan die 5 gram van het tweede geval. Ik zal dus den indruk hebben dat de gewaarwording in beide gevallen in dezelfde mate is toegenomen. Ga ik nu uit van een bepaalde sterkte van gewaarwording (a) en vermeerder die sterkte net zoo lang totdat het onderscheid merkbaar is, dan verkrijg ik b.v. een gewaarwording van de sterkte b. Tusschen a en b ligt dan het kleinst merkbare intensiteitsonderscheid. Op dezelfde wijze kan ik van b voortschrijden tot c en van c tot d. De kleine afstanden a—b en b—c enz. worden door mij alle gelijk geschat. Voor mijn besef kan ik dan ook de afstand a tot b schatten = 1, van a tot c = 2, van a tot d = 3 enz. De gewaarwording neemt dus toe in een eenvoudige rekenkundige reeks, 1, 2, 3, 4 enz.

Om deze toeneming in de gewaarwording te verkrijgen moet de van buiten komende prikkel evenwel in een geheel andere mate toenemen. De prikkel toch moet vermeerderd worden met een gelijk blijvend procent. Zoo zal b.v. om de gewaarwording a te brengen tot b, de correspondeerende prikkel (x) moeten vermeerderd worden met b.v. 1/io. De prikkel y, die correspondeert met de gewaarwording b is dan 1.1 maal x. Zoo voortgaande wordt de prikkel z, correspondeerende met de gewaarwording c = 1.1 maal y = 1.1 (1.1 x) = x (l.l)2. De dan volgende prikkel, die correspondeert met d, wordt dan x (l.l)3 enz. Met andere woorden: om in de gewaarwording een gelijkmatige toename te verkrijgen (overeenkomstig de reeks 1, 2, 3 enz.) moet de prikkel toenemen in een meetkundige reeks (in dit geval b.v. l.l1, l.l2, l.l3, l.l4 enz.). De gewaarwording neemt dus toe in evenredigheid met den exponent van het desbetreffende quotiënt.

Het kan niet ontkend worden dat de wet van Weber-Fechner bij de verklaring van tal van zielsverschijnselen uitnemende diensten kan bewijzen. Wanneer in een donkeren nacht heel even de maan door de wolken komt kijken, licht op eenmaal het gansche landschap op en is het alsof we staan voor een ontzaglijke vermeerdering van licht. Maar op den vollen dag ontgaan ons vaak veel grootere verschillen in helheid. Ieder die wel eens fotografeert weet bij ervaring hoe moeilijk het vaak is de lichtsterkte te taxeeren en hoe groote verschillen, die voor de fotografische plaat beslissend zijn, ons vaak ten eenen male ontgaan. Ook bij het schatten van de grootte van lichamen stuiten wij op soortgelijke verschijnselen. Ja zelfs schijnt het welbekend feit dat wij naarmate wij ouder worden de jaren des te sneller voorbij voelen gaan, daarmee samen te hangen. Voor een kind van vijf jaar is een geheel jaar een gansch andere werkelijkheid dan voor een man van vijftig, het is een heel ander procent van zijn vroeger bestaan, en wordt dus ook als veel langer ervaren. Op tal van gebieden ontmoeten wij dus dezelfde wetmatigheden. Aan de groote onderzoekers Weber en Fechner danken wij dan ook de formuleering van een van de meest treffende verschijnselen, waarmee de psychologie der zintuigen te doen heeft.

Toch mag de beteekenis van deze wet andererzijds niet overschat worden. Niet alleen geeft zij slechts bij benadering de werkelijkheid weer, maar zij kan ook aanleiding geven tot ernstig misverstand. Zij