Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat, en dat heel veel geuren, die langs den grond zweven, dus door hem niet kunnen opgemerkt worden. Het dier heeft evenwel van dit zintuig ook in tal van opzichten veel meer nut. De reuk kan het den weg wijzen, op den reuk af herkent het allerlei plaatsen en wezens, door den reuk kan het zijn prooi al van verre gewaar worden. Daarbij vergeleken spelen de reukgewaarwordingen bij den mensch slechts een uiterst onbeduidende rol. Het is dan ook opmerkelijk dat het reukorgaan bij den mensch veel minder ontwikkeld is.

Er zijn slechts weinig anorganische stoffen die krachtigen reuk verspreiden. Zwavel, jodium, ammoniak en enkele andere elementen maken daarop een uitzondering. De meest fijne nuances van geuren geeft ons echter de organische wereld, waarbij vooral de plantenwereld een voorname plaats inneemt. Daar vinden wij vooral de welriekende stoffen, die ons als vanzelf aantrekken, en bij de bereiding van parfums en zeepen dan ook algemeen gebruikt worden.

Tot nu toe is het niet gelukt een volkomen juiste verdeeling van de verschillende reukgewaarwordingen te geven. Het gebied waarover wij hier handelen is zoo ijl en moeilijk te benaderen dat zich niet, zooals bij andere zintuigen, groote tegenstellingen laten aangeven, waartusschen al de verschillende nuances kunnen worden ondergebracht. Het meest gebruikt is de oude indeeling, die in den nieuweren tijd door Zwaardemaker is aangevuld, in negen verschillende groepen. Deze zijn dan als volgt:

1. Aetherische geuren zooals aether, was, appels, peren enz.

2. Specerijachtige geuren, zooals kamfer, peper, anijs, enz.

3. Bloemengeuren, zooals jasmijn, viooltje, heliotroop enz.

4. Muskusachtige geuren, zooals amber, muskus.

5. Loog-geuren, zooals knoflook, chloor enz.

6. Brand-geuren, zooals tabak, gebrande koffie, teer, karbol enz.

7. Caprylgeuren, zooals kaas.

8. Verdoovende geuren, zooals opium.

9. Walgingwekkende geuren, zooals stanken.

Deze indeeling stamt reeds van den grooten plantkundige Linnaeus. De eerste en zesde van deze groep zijn door Zwaardemaker ingevoegd.

Hoewel zij ook nu nog veelal gevolgd wordt, wordt toch de poging voortgezet om tot een meer systematische verdeeling te komen. Het liefst wil men dan een schema van tegenstellingen. Of het echter ooit gelukken zal hierin afdoende resultaat te bereiken is vooralsnog quaestieus. Een groote moeilijkheid levert ook de merkwaardige armoede van de taal, wanneer wij over geuren handelen. Bijna geen enkele aanduiding hebben wij in onze taal, schier altijd moeten wij ons er toe bepalen een geur te omschrijven met behulp van een gelijkenis. Dat riekt harsachtig, branderig, muskusachtig enz. Op geen enkel gebied is de taal armer aan woorden dan op het terrein der reukgewaarwordingen.

Door krachtig snuiven kunnen wij de riekende werking van een stof zeer versterken. Dat hangt daarmee samen dat bij het gewone ademhalen de lucht vaak ternauwernood de slijmvliezen raakt, en dat dus heel vaak de geuren ons eenvoudig voorbijgaan. Door het insnuiven zuigen wij de neusholte vol van dat gas, en worden dus de vliezen krachtiger getroffen.

De factor der aanpassing, waarover wij bij den smaak reeds gesproken

Sluiten