Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De EVENWICHTSGEWAARWORDINGEN bezitten een eigen orgaan, dat achter het oor gezocht moet worden. Diep in het oor toch vindt men het zoogenaamde labyrinth, dat ten deele ook diensten bewijst bij de gehoorgewaarwordingen, maar ten deele tot geheel andere doeleinden gebruikt wordt. Het bestaat namelijk uit een drietal kleine bogengangen die in verschillende liggingen zich bevinden ten opzichte van elkander. Eén ervan ligt vrijwel horizontaal, de beide andere zijn in meer vertikale richting geplaatst. De bogengangen zijn gevuld met een vloeistof. Aan het breedere einde van iedere gang bevinden zich kleine haartjes die in de vloeistof steken. Wanneer nu een bepaalde beweging gemaakt wordt met het hoofd, bewegen zich de vloeistoffen in de bogengangen mede, en deze deelen hun beweging hunnerzijds weer mee aan de kleine haartjes. Die haartjes zijn het nu die met de zenuw in verbinding staan en daardoor de gewaarwording in ons opwekken. Bovendien zijn er aan de bogengangen nog kleine zakjes verbonden, waarin zich kleine kalkachtige steentjes (otolithen, d. i. oorsteentjes genoemd) bevinden, die eveneens door schuddingen, zoodra het hoofd een beweging maakt, gewaarwordingen kunnen opwekken. Deze otolithen worden namelijk door kleine haartjes gedragen, waaraan ze elke beweging overdragen, en waardoor ze met de zenuwuitloopers in verbinding staan.

Van deze beide organen nu gaat een zenuw uit, die tegelijk met de gehoorzenuw, door dezelfde opening, naar de hersenschors binnendringt. De bogengangen zijn het die vooral bij draaiende bewegingen van het hoofd prikkeüngen ondergaan, de otolithen worden vooral bij rechtlijnige bewegingen (dus b.v. bij het loopen) eenigermate geprikkeld.

De eigenaardige functie van deze beide organen is langen tijd volkomen onbekend gebleven. De Fransche geleerde Flourens ontdekte in het jaar 1824 dat duiven, die een operatie in het labyrinth hadden ondergaan, onmiddellijk daarna teekenen vertoonden van volkomen onevenwichtigheid. Zij wisten niet meer hoe ze hun kop houden moesten, en maakten de wonderlijkste bewegingen. Het is deze ontdekking geweest die tot verdere onderzoekingen van dit orgaan aanleiding gegeven heeft. Meer en meer bleek dat, al is dit orgaan ten nauwste verbonden met het oor, de functie ervan toch van gansch anderen aard is, zoodat ze in geen enkel opzicht samen mogen genoemd worden.

Later kwam in tal van punten over verschillende verschijnselen beter licht. Zoo bleek o. a. dat vooral ook visschen bij schending van deze organen in groote verlegenheid geraken en b.v. het besef van boven en beneden verloren hebben. En ten aanzien van den mensch bemerkte men, dat bij ontsteking in deze organen (vaak voortvloeiende uit oorontstekingen) verschijnselen van duizeligheid optraden, gepaard gaande met het gevoel dat men op en neer of heen en weer bewogen wordt enz.

Uit al deze dingen is duidelijk dat door dit evenwichtsorgaan zeer bijzondere gewaarwordingen worden opgewekt. Eigenaardig is echter dat zij in gewone omstandigheden in het geheel niet tot bewustzijn komen. Wij bemerken het niet dat er in ons oor zulk een reguleerend orgaan schuilt dat de bewegingen van ons hoofd en van ons geheele lichaam controleert, en telkens herstelt. De bewegingen die uit de hier gewekte prikkels voortkomen, verloopen als regel zuiver reflexief. Ze zijn

Sluiten