is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze drang naar het nieuwe wordt getemperd en gecompenseerd doordat ten vierde datgene om onze opmerkzaamheid vraagt wat aansluit bij reeds voorhandene voorstellingen. Het absoluut nieuwe is ook het niet toegankelijke, het onbegrijpelijke. De nieuwe indrukken moeten geassimileerd kunnen worden, moeten aansluiting vinden. Een wilde die een vliegmachine ziet neerdalen, staat een oogenblik sprakeloos van ontzetting, maar dan loopt hij hard weg van schrik. Wij moeten van eenig ding eerst iets afweten, voor we er oog voor gaan krijgen. Het duidelijkst bemerken wij dit bij het courantlezen. Jarenlang lees ik geregeld de courant, maar een bepaalde rubriek, b.v. beursberichten of sport-beschouwingen sla ik stelselmatig over. Hoe komt dat? Omdat ik daar buiten sta. Wij moeten er eerst in zijn doorgedrongen, eerst de groote vraagstukken, de groote lijnen kennen, en dan hebben wij telkens aanknoopingspunten om verder te gaan. Wil iets dan ook zich met kracht aan onze opmerkzaamheid opdringen, dan moet het wel nieuw zijn, maar toch door allerlei vertakkingen verband houden met wat ik al weet. Dan voel ik het als een verrijking en leen ik vanzelf nauwlettend het oor. Op dit feit berust b.v. het practisch nut van gelijkenissen. Wanneer Jezus de wetten van het Koninkrijk der hemelen zeggen wil, kan Hij dat niet doen in abstracte bewoordingen, want het zou door de schare absoluut niet begrepen zijn. In de gelijkenis voelen zij contact met iets wat ze al weten. Vanuit dat punt dat hun uit het dagelijksch leven bekend is, kunnen ze nu de geestelijke waarden zich toeëigenen. Ook houdt met deze gedachte verband de paedagogische regel van het concentrisch onderwijs. Ge behandelt een stof als geheel en vindt nu een volgend maal, bij het weer herhalen, telkens gelegenheid er nieuwe opmerkingen of gedachten tusschendoor te vlechten. Zoo paart zich op harmonische wijze het nieuwe aan het oude.

In de vijfde plaats wordt de passieve opmerkzaamheid van een mensch bepaald door zijn persoonlijk interesse. Wij moeten er persoonlijk belang bij hebben, dan boeit het ons. Terwijl ik ingespannen zit te lezen, hoor ik het zachte spreken van anderen in mijn kamer niet, maar zoodra even mijn naam genoemd wordt, is mijn aandacht gespannen. Ieder weet hoe moeilijk het is over kinderen iets te zeggen terwijl ze in de nabijheid zijn. Ge kunt het nog zoo omschrijven of pogen te bedekken, ze voelen eenvoudig dat ge over hen bezig zijt, en dat prikkelt hun opmerkzaamheid in ongemeene mate. Alles wat eenigermate betrekking heeft op mijn „ik", heeft in de worsteling om mijn aandacht terstond wel tien punten voor. Dat interesse kan uiteraard zeer verschillend van karakter wezen. Het jaarverslag van een maatschappij waarin ik zelf financieel betrokken ben, lees ik toch met heel andere oogen dan welk ander jaarverslag ook. Daarom is het voor ieder die iets aan een ander betoogen wil, van het hoogste belang, wanneer hij kans ziet het tot den ander in persoonlijke betrekking te brengen.

Naast deze vijf krachten die onze opmerkzaamheid bewegen, is er nog een zesde, een toevallige. Mijn bewijstzijn moet toch ergens mee bezig zijn. Gedachteloos hef ik de oogen op en mijn blik valt op een vaasje dat op de tafel staat. Niet dat dit vaasje mij op dat moment bijzonder boeit, maar toevallig werd mijn opmerkzaamheid daarnaar gedreven. Natuurlijk is mijn opmerkzaamheid in zulk een geval ook niet