Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. De apperceptie.

Het verschijnsel dat wij nu te bespreken krijgen, vormt in zekeren zin een tegenstelling met het verschijnsel der opmerkzaamheid. Het karakteristieke van de opmerkzaamheid toch is, dat wij van de vele indrukken die tot ons komen een groot deel onbemerkt laten, dat wij van de indrukken een groot gedeelte afsnijden. Welnu, de apperceptie is juist het tegenovergestelde, zij laat ons zien hoe wij de beelden die wij in ons opnemen in zeer sterke mate verrijken en aanvullen.

Het woord „apperceptie" wordt door verschillende psychologen in onderscheiden zin gebruikt. Met name twee beteekenissen zijn er waarmee wij rekening te houden hebben. Wundt, de in het jaar 1920 overleden Leipziger psycholoog, maakte de apperceptie tot centrum van zijn zielkunde, maar hij verstond er iets anders onder dan de meeste anderen. Hij noemt apperceptie het proces waardoor een bepaalde inhoud tot klare opvatting gebracht wordt. (Grundriss der Psychologie 13. Leipzig 1918 S. 252). De opmerkzaamheid is van die apperceptie eigenlijk het begeleidend verschijnsel. Door de apperceptie komt iets in het blikpunt van het bewustzijn, wordt het door ons opgenomen, door de perceptie komt het nog slechts in het blikveld van ons bewustzijn. Het gepercipieerde gaat ons nog onbemerkt voorbij, blijft vaag en onduidelijk, de apperceptie geeft alleen het duidelijke beeld. In dezen zin willen wij het woord apperceptie hier niet gebruiken.

De meeste zielkundigen spreken van apperceptie in een geheel andere beteekenis. Zij verstaan eronder het verschijnsel dat wij een bepaalden bewustzijnsinhoud opnemen in het geheel van ons geestelijk bezit. Het is in dezen laatsten zin dat wij het ook hier gebruiken willen. Dit ter voorkoming van alle misverstand dat anders gemakkelijk rijzen kan.

In de eerste plaats zij hier dan nader ingegaan op het wezen der apperceptie.

Ter verduidelijking beginnen wij met een voorbeeld. Iemand zegt me: ik zie een bruine, ronde, gladde tafel met vier pooten. Wij moeten die uitspraak iets nader analyseeren. t

Is het wel waar wat die man zegt? Vrij gemakkelijk is aan te toonen dat het zóó, in dien zin, onmogelijk waar kan wezen. Want wat ziet hij eigenlijk? Hij kan van uit het punt waar hij staat een bruine vlek zien, dat is volkomen juist. Dat bruin is niet overal gelijk want over de tafel valt een schaduw die het eene gedeelte donkerder maakt dan het andere, maar dat onderscheid mag veronachtzaamd worden. Hoofdzaak is dit, dat hij niet zien kan dat de tafel rond is, want hij zou haar alleen rond kunnen zien wanneer hij met zijn oog precies boven het middelpunt van de tafel was. Thans ziet hij haar een weinig langwerpig, ovaal, maar in alle geval niet rond. Bovendien kan hij niet zien dat zij glad is, want de gladheid kunnen wij alleen met onzen tastzin gewaar worden. Hij kan wel uit de eigenaardige lichtwerking op het tafelblad een gewaarwording krijgen, waaruit hij afleidt dat het glad zal aanvoelen, maar verder kan hij toch niet gaan. En eindelijk kan hij de vier pooten niet zien. Van dezen kant ziet hij er alleen twee of drie. Hij kan wel uit den stand van die pooten afleiden dat er nog een vierde moet wezen,

Sluiten