is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolken zien en een bepaald wolkencomplex nu eens zien als figuren van menschen en leeuwen, dan weer als aardrijkskundige grootheden, eilanden en continenten. Ook daarop kunt ge wel eenigen invloed uitoefenen.

In gevallen zooals op figuur III kunnen we ook onze apperceptie willekeurig verwisselen. Wij kunnen het zien alsof het binnenste vierkantje achter het groote vierkant ligt, zoodat we als het ware naar binnen kijken. We kunnen het ook zien alsof het gelijk ligt met het groote vierkant zoodat er geen perspectief in deze teekening gevonden wordt, en ten slotte zijn wij nog bij machte het zoo te beschouwen alsof het kleine vierkant boven op ligt, meer naar ons toe, en het groote vierkant erachter is geplaatst. Onze instelling kunnen wij naar believen verwisselen, en het kost ons iederen

keer niet veel moeite om een geheel anderen indruk te verkrijgen. Onze gewaarwordingen zijn dus niet een constante grootheid, wij kunnen er zelf nog wijzigingen in aanbrengen.

De groep punten . . . kan ik op allerlei wijzen zien. Ik kan haar zoo zien dat ik er ... in mijn gedachten een vierkant van maak met een enkele punt ... in het midden 0. ik kan haar zien in den zin van de figuur —(-j-, of ƒ ƒ |. of —. Elke keer zie ik die puntenreeks weer anders, en worden andere indrukken er door bij mij opgewekt. Dit zijn ook weer voorbeelden van de actieve beïnvloeding der apperceptie. Hoe men deze kwesties in den laatsten tijd stelt en tracht op te lossen, komt in § 46 bij de leer van de gestalte ter sprake.

Beduidend sterker dan de invloed dien wij zelf op onze appercepties kunnen uitoefenen is de macht die anderen erover bezitten. Hier staan we voor het verschijnsel der suggestie. Wij kunnen elkander bepaalde appercepties suggereeren. Wanneer ge buiten wandelt in het donker kunt ge daar ieder oogenblik gemakkelijk de proef mee nemen. Ge zegt tegen uw metgezel, terwijl ge op een knoestig verwrongen struik wijst, die in het donker vreemd afsteekt: kijk, een man! Wat staat hij daar stil, voorover gebogen. Wie zou het zijn? O, ik denk dat het de oude B. is. Die lijkt er precies op. Wat zou die hier 's avonds in het donker staan te mijmeren? Hoor je dat geluid? Hij is vast aan het roepen enz. Al de vreemde en vage aanduidingen die de donkerheid ons geeft, worden in een bepaalden zin uitgelegd, en wanneer uw metgezel een persoon is die gemakkelijk voor suggesties openstaat, is de kans niet gering dat hij het alles zoo ziet.

Een zelfde verschijnsel kunt ge thuis beleven. Hoor je die voetstappen op de trap? Er is vast iemand. Hoor maar. Nu is hij boven. Kijk jij eens even buiten de kamer, durf je? Een paar van zulke vragen of gezegdes, en de ander heeft werkelijk den indruk dat er wat is. Het is zoo buitengewoon gemakkelijk elkander iets te suggereeren, en dat wel bovenal in het donker. De werkelijkheid geeft ons in zulke gevallen maar zoo heel vage en weinig zeggende beelden of geluiden, dat de apperceptie

Figuur III