is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er onnoemelijk veel aan toe te voegen heeft. Juist dat geeft aan de suggestie zulk een ruime plaats.

Het spreekt vanzelf dat naarmate de mensch meer ontwikkeld is, zijn apperceptie ook een ander karakter aanneemt. Vandaar dan ook dat de apperceptie-proeven zoo bijzonder interessant zijn bij het onderzoeken van kinderen. Kinderen reageeren toch op de verschillende beelden die zij in de gewaarwording verkrijgen op geheel verschillende wijzen. Naar den graad der ontwikkeling heeft men nu verschillende typen van apperceptie onderscheiden, die tegelijk de phasen van ontwikkeling eenigermate tot uitdrukking brengen.

De eerste phase van apperceptie bestaat daarin dat men de verschillende groepen van gewaarwordingen tot „dingen' samenvat. Het kind van ongeveer drie tot zeven jaar zal bij elke gewaarwording de neiging hebben haar onder het begrip van een ding onder te brengen. Dat roode daar is een doek, dat groene een boom. Vraagt ge een kind: zeg me wat je ziet, dan reageert het met niets anders dan met namen van voorwerpen. Het vat alles samen tot zelfstandige naamwoorden. Het zelfstandig naamwoord is dan ook de woordvorm die in de eerste kinderjaren het meest gebruikelijk is. Dit stadium wordt het „Substanz-stadium" genoemd.

Aan deze periode sluit zich ten nauwste aan de tweede periode, die als „Aktions-stadium" wordt aangeduid. In deze periode ziet het kind in de buitenwereld vooral de beweging, de werking, de verandering. Vraagt ge wat het ziet op de straat, dan zal het antwoorden: daar rijdt een tram, daar in de verte komt een fiets aan, die man roept iets, er staan menschen voor den winkel te kijken enz. Kortom, het ziet vooral de handelingen, dat wat er gebeurt, dat wat er gedaan wordt. In deze periode staat het werkwoord aan de spits van alle woorden.

In de daarna volgende periode wordt vooral op de relaties gelet. Het kind beschrijft de plaats waar iets is, de tijd dat iets duurt enz. Er ligt een boek op de kast. Een man loopt over de straat, de tram rijdt over de rails enz. Dit stadium wordt als „Relations-stadium" beschreven. Het doet vooral acht geven op de verschillende voorzetsels, die de betrekkingen tusschen de dingen aangeven.

Als het kind ongeveer tien jaar oud is, gaat het voor de eigenschappen der dingen meer opmerkzaamheid verkrijgen. Het heeft er oog voor dat de deur verschillende kleuren heeft, dat de stoelen van eikenhout zijn, dat het water er blauw uitziet enz. Deze periode wordt het „Qualitatsstadium" genoemd. Daarin zijn het de bijvoegelijke naamwoorden die naar voren treden.

Natuurlijk kunnen wij deze verschillende phasen, die vooral door den Franschen zielkundige Binet en den Duitscher Stern onderscheiden zijn, niet scherp van elkaar losmaken. Zooals al dergelijke karakteriseeringen geven zij alleen een doorsnee, waaraan de practijk uiteraard lang niet altijd even nauwkeurig beantwoordt. Toch zit er de juiste en treffende gedachte in, dat de apperceptie zich langzamerhand wijzigt. Telkens worden nieuwe dingen in de wereld waargenomen en tot elkaar in betrekking gebracht. De rijkdom van het wereldleven wordt langzamerhand toegeëigend, en in verband daarmee wordt ook de volheid van de taal eerst schrede voor schrede doorwandeld. Het feit dat het kind in iedere