is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De in de apperceptie toegevoegde factoren zijn voorts of speciaal, of ze zijn generaal, als algemeene vormen van alle gewaarwordingen.

Tot de laatste, algemeene apperceptievormen rekenen wij ruimte, tijd en werkelijkheid. Dat wil zeggen: elke gewaarwording wordt door ons gelocaliseerd in de driedimensionale ruimte buiten ons. Elke gewaarwording wordt ook geplaatst in den tijd, en tegenover verleden en toekomst begrensd. Elke gewaarwording wordt tenslotte opgevat als aanduiding van de werkelijkheid en wordt daarmede tot waarneming.

Een bewijs, hoezeer het waarnemen het gewaarworden kan beïnvloeden, levert het teekenen van jonge kinderen. Een kind teekent aanvankelijk niet de verschijningswijze der dingen, maar de dingen zelf. M.a.w. het laat zich niet leiden door gewaarwordingen, maar door waarnemingen. Het teekent een mensch met twee armen, twee beenen, twee oogen, twee ooren zonder er zich rekenschap van te geven, of men die alle bij dien bepaalden stand van het lichaam ook zien kan. Een stoel, een tafel krijgen zonder twijfel vier pooten; het kind teekent immers den stoel, de tafel, niet wat het ervan ziet.

Rijk en bont en veelvuldig zijn onze waarnemingen. De wereld biedt zich ons aan in al haar schoonheid en verscheidenheid. En de ziel staat in machtige bewondering voor al dat geweldige; schouwende, zich verbazende, genietende en ontvangende. Met blijden levenszin snelt ze die heerlijk volle wereld tegemoet als in één extase.

Dan grijpt het haar aan dat zij ook in die wereld niet den vrede vindt, en inkeerende tot zichzelve belijdt zij het: nevens U lust mij ook niets op de aarde.

HOOFDSTUK II.

DE BEWARENDE FUNCTIE.

13. Inleiding.

Hebben wij in ons vorige hoofdstuk gesproken over de ontvangende functie der ziel, thans staan wij voor het verschijnsel der bewaring van indrukken. Het eene psychische proces zien wij dus van nu af aan in een andere relatie, behoudende den schat van vroegere ervaringen.

Reeds van stonde aan moeten wij hierbij op onze hoede zijn voor verwarring. In het bewaren van indrukken liggen immers reeds onderscheidene factoren opgesloten die gemakkelijk met elkander verwisseld kunnen worden. In de eerste plaats toch hebben wij te doen met de geschiktheid van het bewaren zelf. Van alle ervaringen blijven op een of andere wijze sporen achter. Dat zuivere „bewaren" zullen wij in den vervolge betitelen als mnemische functie. Maar van die achtergebleven sporen zouden wij niets bemerken wanneer ze niet telkens weer actief in het heden ingrepen. De sporen zelf toch, voorzoover ze psychisch zijn, rusten in het onderbewuste, onder „den drempel van ons bewustzijn". Wij kunnen