Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaald onderdeel bij herhaling gebruikt wordt. Ook bij het leeren van bewegingen vinden wij overeenkomstige verschijnselen.

Deze feiten zijn ook voor de paedagogiek niet van beteekenis ontbloot. Voert men b.v. tegen het uit het hoofd leeren van lessen aan, dat het nuttelooze arbeid is, omdat ze op den duur toch weer vergeten worden, dan kan deze tegenwerping ontzenuwd worden door er op te wijzen, dat door het uit-het-hoofd-leeren in het kind het vermogen om te bewaren geoefend wordt, een oefening die ook op tal van andere terreinen té stade komt. Door het oefenen van onderscheiden intellectueele functies (geheugen, begrijpen, uitvinden enz.) wordt het geheele intellectueele peil langzamerhand verhoogd, ook al gaan de directe vruchten veelal verloren.

Een tweede verschijnsel dat onze aandacht waard is, is dat de oefening vooral in den aanvang buitengewoon effectief is, maar dat de uitwerking daarna gaandeweg vermindert. Ebbinghaus deed op dit gebied de volgende proef: gedurende 94 dagen (niet na elkaar maar met kleine tusschenpoozen, zoodat de geheele reeks zich uitstrekte over een half jaar) leerde hij iederen dag 8 reeksen van zinlooze lettergrepen uit het hoofd. Iedere reeks bestond uit 13 van zulke lettergrepen. Daarbij bleek nu dat hij de eerste twintig dagen gemiddeld 132 seconde per reeks noodig had. Gedurende de middelste twintig dagen kon hij reeds met 127 en gedurende de laatste met 125 seconde per reeks volstaan. De vermindering was dus aanvankelijk sterker dan in het verdere verloop. (Grundz. der Psychologie I p. 762. Leipzig 1919). Andere proeven op hetzelfde gebied waren in dit opzicht veelal nog treffender. De oefening die ons door de eerste malen gegeven wordt is veel sterker dan die, welke wij bij latere malen nog ontvangen.

Iedere onderbreking van de oefening is in den regel schadelijk. Zoodra wij een tijd lang een bepaalde handeling niet meer doen, zullen wij bemerken dat wij een volgend maal er reeds onhandiger tegenover staan. Dat blijkt telkens na een vacantie. Na elke vacantie moeten wij opnieuw leeren werken, moeten de verschillende processen opnieuw geoefend worden. Natuurlijk wordt deze werking gecompenseerd doordat de vermoeienis ophoudt. Het kan b.v. wezen dat wij een bepaalde handeling pogen te verrichten die ons niet gelukt. Keer op keer probeeren wij het, maar hoe langer wij er mee bezig zijn, des te treuriger worden de resultaten. In zulk een geval is het mogelijk dat een korte onderbreking juist ongemeen gunstig werkt, omdat de factor van de vermoeienis die zeer schadelijk begon te werken, uitgeschakeld is, terwijl de oefening nog niet allen invloed verloren heeft. De twee factoren van vermoeienis en oefening moeten altijd tegen elkaar uitgewogen worden. Vandaar dan ook dat na een vacantie, ondanks het feit dat de oefening onderbroken is, de resultaten nog vaak gunstiger zijn dan daarvoor. Dat komt dan met name in de tweede week van het werken uit, wanneer nog van geen vermoeienis sprake is, en de oefening toch al weer zich heeft ingezet.

Aan al deze verschijnselen van gewoontevorming en oefening ligt ten grondslag het beginsel der mneme. Wel is waar, onbewust, want bewust merken wij van deze invloeden niets. Maar juist deze onbewuste nawerking is vaak zoo bijzonder waardevol. Van alles wat wij in onze eerste levens-

Sluiten