Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Voorstelling en begrip.

Wanneer men mocht denken dat heel ons gedachtenleven in voorstellingen verliep, dan zou men reeds spoedig bemerken zich daarin ten zeerste te vergissen. De zaak is inderdaad veel moeilijker dan men aanvankelijk misschien wel vermoeden zou. In de eerste plaats toch kan men gerust zeggen dat voor onze voorstellingswereld geen taal gewassen is. De voorstelling van mijn ouderlijk huis is b.v. een geheel andere dan die van het huis van mijn buurman, het is een geheel andere psychische grootheid. Wanneer mijn bewustzijn nu bij die afzonderlijke voorstellingen staan bleef, zou ik voor ieder een eigen, een nieuw woord moeten hebben. De gele bloemen die nu op mijn schrijftafel staan, zijn geheel anders dan de roode die in den tuin zoo vroolijk bloeien. Indien de taal de uitdrukking was van onze voorstellingen, zouden wij ook voor elke bloem een afzonderlijk woord moeten hebben. D'at nu is onmogelijk en ook niet werkelijk. Onze taal vat samen, spreekt b.v. van huis, en vat daarin alle huizen samen, spreekt van roos en omvat daarin alle soorten van rozen. Zoo individueel als onze voorstellingen zijn, is onze taal in den regel niet. Naast de voorstellingen zijn er nog andere inhouden, die een veel grootere rol spelen, en die wij kortweg willen aanduiden met den term begrip.

Niet gemakkelijk is het ongetwijfeld om voorstelling en begrip klaar tegenover elkander te begrenzen. Wanneer spreken we van een voorstelling en wanneer beginnen wij te spreken van begrippen? Bij het aangeven van de grenzen van die twee is men onwillekeurig geneigd het verschil aldus te formuleeren: een begrip is een voorstelling die van alle of zoo goed als alle aanschouwelijke elementen is ontdaan. Een begrip is een zeer vage voorstelling. Bij een voorstelling zien we altijd nog iets, zien we nog enkele lijnen tenminste, maar bij een begrip zien we niets meer, zijn we geheel in het ijle, ongrijpbare aangeland.

Tegen deze onderscheiding zijn echter allerlei bedenkingen aan te voeren.

Allereerst toch is de mindere of meerdere klaarheid nooit een voldoende aanduiding van verschil. Dat handelt immers alleen over den vorm en zegt ons nog niets over het wezen. Daarom is deze onderscheiding al principieel af te keuren.

Bovendien is bij de meeste menschen de voorstelling zelf reeds bijna geheel van aanschouwelijke elementen ontbloot. De student over wien wij gesproken hebben, kan in zijn voorstellingsleven bijna op geen enkel deugdelijk element wijzen, al zijn voorstellingen zijn arm en leeg. Bij velen, met name bij volwassenen, is het vermogen om zich van iets een klare voorstelling te maken dan ook zoo verslapt, dat zij boven heel vage en fletse beelden onmogelijk kunnen uitkomen.

Daartegenover staat dat bij vele menschen de begrippen juist zeer aanschouwelijk zijn. Als voorbeelden noemen wij hier enkele kinderlijke definities:

Op de vraag: wat is een tafel? antwoordde een twaalfjarig meisje: een tafel is een vierhoekig blad met vier pooten. Daarbij werden dus ovale, ronde, één- en driepootige tafels verwaarloosd, en een zeer

Sluiten