Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoudig als werkelijk, maar ook als noodzakelijk. In het oordeel: de man is lang, gaat het alleen om de werkelijkheid; die werkelijkheid is min of meer toevallig. In het oordeel: die mensch is sterfelijk, wordt de eigenschap meer als noodzakelijk gevoeld.

b. Het identiteitsoordeel. Deze oordeelen spreken zich uit over het ding zelf. Achter dit oordeel ligt een herkenning, het is hetzelfde als dat van vroeger. Deze identiteit kan dan verder weer gevoeld worden als mogelijk, waarschijnlijk, werkelijk of noodzakelijk.

c. Het soort-oordeel ordent een bepaald verschijnsel onder een reeds bekende groep. B.v. dit dier is een hond. Ook dit oordeel berust op een herkenning, maar dan niet op een herkenning van het exemplaar maar van de soort.

d. Het causaliteitsoordeel onderstelt een moeilijke vraag, n.1. de vraag: waardoor is dit of dat? Het jonge kind verbindt in gedachten nog allerlei verschijnselen die absoluut niet in causale verhouding tot elkander staan. Waarschijnlijk komt de mensch tot de causaliteitsgedachte van binnen uit. Het kind heeft b.v. vaak opgemerkt dat als het met zijn handje tegen de bal slaat, die bal zich beweegt. Nu ziet het b.v. op een dag die bal zich bewegen zonder dat het zelf daarin heeft meegewerkt (b.v. door den wind). Dan komt ineens de causale vraagstelling op. Nadat herhaaldelijk zulke verschijnselen zijn opgemerkt, gaat de causale vraag een groote rol in het denken spelen.

Het causaliteitsoordeel komt dus op uit het feit dat de mensch zelf in het groote, causale verband, een schakel is. Dat brengt ook mee dat het kind eiken vorm van causaliteit, naar analogie van zijn eigen werkzaamheid, opvat als persoonlijke, opzettelijk gewilde daad. Het vermoedt achter alle causaliteit opzet. De deur die dicht waait, en daardoor het kind pijn doet, is „stout", want zij heeft het opzet om pijn te doen. De causaliteit wordt benaderd van binnen uit, en dat bepaalt nog langen tijd het oordeel erover. In de dingen die rondom ons heen gebeuren, ziet de mensch eerst alleen associatief verband, het eene gebeurt na het ander. De causaliteit komt hij eerst op het spoor in dat heel enge wereldje waarin hij zelf öf actief onderwerp, of passief voorwerp is. Men kan het nog anders zeggen: het causaliteitsbesef is iets dat — althans voor een deel — langs intuïtieven weg (door Einfühlung) verkregen wordt. Daardoor heeft het aanvankelijk altijd wat mysterieus over zich. Eerst wetenschappelijke bearbeiding heeft aan dit intuïtieve besef meer logischen inhoud kunnen geven.

e. Het doelbepalend oordeel vraagt naar de motieven die tot een daad geleid hebben, naar het waarom? en het waartoe? Daar het kind achter alle gebeuren persoonlijk opzet veronderstelt, is duidelijk dat de vraag naar het doel bij het kind een grooter plaats inneemt dan bij volwassenen. Wij zagen dat reeds bij de begripsvorming. Een volwassene zal niet spoedig zeggen: een berg is om koud te worden, een muskiet is om je te bijten enz. Bij kinderen is het doel juist het karakteristieke in een ding, datgene waar het op aankomt. Uit het doelbepalend oordeel weekt zich los het oordeel naar de geschiktheid. Een omgevallen boom in een bosch kan b.v. zeer geschikt zijn als rustplaats, zonder dat wij daarmee willen zeggen dat die boom nu juist omgevallen is om ons tot

Sluiten