is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle ervaring, mogelijk zijn. (Voorb.: „7 + 5 = 12"). Kant vooronderstelde, Hume daarentegen verwierp de mogelijkheid van dergelijke oordeelen.

Heeft men eenmaal algemeene oordeelen geformuleerd, dan staat weer voortdurend de weg open naar het bijzondere. Uit het generale kan men elk moment weer tot het individueele afdalen. Dat is de weg der deductie. De deductie redeneert b.v. aldus:

a. alle menschen zijn sterfelijk;

b. hier is een mensch;

c. dus hij is sterfelijk.

Het ligt in den aard der zaak dat zulk een deductief oordeel of conclusie slechts juist kan zijn, wanneer het generale oordeel waarop het rust en ook het bijzondere oordeel (de praemissen), juist zijn.

Het intuitieve denken. Bij deze oordeelen en conclusies gaat het vooral om de verschijningsvormen van het zoogenaamde discursieve denken. Toch is dit discursieve denken lang niet het primaire, het wordt aan alle zijden voorbereid door de intuïtie. De intuïtie is in de kinderjaren veel krachtiger ontwikkeld en legt al overal de grondslagen waarop later het discursieve denken kan voortbouwen. Zoo hebben wij gezien dat b.v. het causaliteitsoordeel aanvankelijk langs intuïtieven weg verkregen kan worden. Ook in het later leven blijft de intuïtie van groote waarde. Er zijn groote gebieden waar wij met ons logisch formuleeren vaak nog zoo weinig beginnen kunnen, en waar de intuïtie ons telkens weer ten gids moet wezen. Om die reden moet dan ook aan de intuïtie groote waarde toegekend en verdient zij afzonderlijke behandeling.

Hoewel het in het wezen van de intuïtie ligt dat zij in het verborgen geschiedt, zoodat wij er dikwijls zelfs ternauwernood eenig idee van hebben, kunnen wij toch verschillende vormen van intuïtieve oordeelen onderscheiden.

A. Als eerste vorm moeten wij hier vooral noemen de analogie. De analogie speelt bij de intuïtie altijd een groote rol, vooral in de benadering van geestelijke waarheden. De mensch toch heeft de onwillekeurige zekerheid dat in de stoffelijke wereld om hem heen allerlei gelijkenissen voorkomen die met het volste recht op geestelijke werkelijkheden mogen worden toegepast. Deze zekerheid is van de grootste beteekenis, want zij maakt het mogelijk geestelijke dingen te benaderen vanuit de natuurlijke. Het is opvallend hoeveel geestelijke werkelijkheden worden aangeduid naar analogie van natuurlijke (v.g. b.v. wedergeboorte, bekeering, het tijdperk der „verlichting", Renaissance enz.). Men spreekt van „overdracht", „metaphora". De taal is van metaphora's vol; ze is veel overdrachtelijker, dan men meestal beseft.

Dit opmerken van de analogie is een quaestie van „zien". Het is de vraag of men de geestelijke werkelijkheid zuiver heeft aangevoeld, onder een juist beeld gebracht heeft. In het evangelie van Johannes vindt men van dergelijke intuïtieve redeneeringen prachtige voorbeelden. Een enkel zij hier genoemd:

Toen de Israëlieten uit Egypte uittrokken ging hun des nachts een vuurkolom voor, die hun door de woestijn tot geleide strekte. Wanneer zij die volgden, waren zij veilig, behoefden zij ook niet bang te wezen