is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de stoffelijke verschijnselen rekent. Wij werken alle met verschillende gegevens. Bovendien zij nog opgemerkt dat logisch denken niet zoo gemakkelijk is. Elk oogenblik loopen wij gevaar uit het spoor te komen, doordat wij b.v. ons van de strekking van een begrip niet zuiver rekenschap geven. Vandaar dan ook dat in ons denken persoonlijke voorkeur, vooroordeel nog zoo gemakkelijk een plaats vindt. Het verschuilt zich dan achter verkeerde sluitredenen, achter verkeerde opvattingen van het begrip.

In het algemeen moeten wij met kracht vast houden aan de objectiviteit van het denken. Het denken eischt erkenning, en heeft van den beginne aan geen andere bedoeling dan objectief te wezen.

Ten slotte nog enkele onderscheidingen. Van scherpzinnigheid spreken wij, wanneer de denkwerkzaamheid vooral bezig is in de richting van het treffen van juiste onderscheidingen. De scherpzinnige denker is vooral analytisch, legt de elementen bloot, maakt fijne distincties. De diepzinnige denker is meer synthetisch, zoekt groote complexen als een eenheid te vatten, dringt meer door tot de kern der verschijnselen. De scherpzinnige denker heeft meest zin voor humor, is gevat, helder, de diepzinnige is meer peinzend, vaak onduidelijker, onhandig.

Naast begrijpen stelt men het verstaan. Men begrijpt „een verklaring en men verstaat „den zin". In de natuurwetenschap verklaart men, d.w.z.: men geeft voor elk verschijnsel een oorzaak aan; men stelt voor de regelmatige werking van een bepaalde oorzaak een wet op en zegt een geval „begrepen" te hebben, indien een daarbij behoorende wet wordt gevonden. In de geesteswetenschap zegt men, dat men een verschijnsel „verstaat , indien men het op zich zelf staande geval uit zijn isolement heeft bevrijd en in een grooter „planmatig" geheel heeft weten in te voegen. Men formuleert dan geen „wetten", ontdekt niet uitsluitend betrekkingen van oorzaak en gevolg, maar ziet het verschijnsel in relatie met andere, waarmede het een „totaliteit" vormt. Die relaties aangeven noemt men duiden.

Wij verklaren door speciaal intellectueele processen, maar verstaan door het samenwerken van meerdere, verschillende zielekrachten. In het algemeen neemt men aan, dat in de psychologie zoowel begrijpen als verstaan op hun plaats zijn.

Bij het duiden zijn vaak maar weinig steunpunten gegeven, is het aantal uitdrukkingsbewegingen, teekens, woorden, e.d. gering. Een enkel woord, een lach, een weinig mimiek, enkele droombeelden kunnen voldoende zijn tot het verstaan van een geheele situatie. Ten opzichte van gedragingen treedt in het algemeen het duiden (verstaan) meer op den voorgrond dan het verklaren (begrijpen).

Nog een enkel woord over gelooven. Gelooven, niet in den zin van: voor waarschijnlijk houden, maar in den zin, dien het voor den Christen heeft.

Staat het vast, dat denken, streven en gevoelen nooit geïsoleerd voorkomen, nog zekerder is het, dat deze functies in het gelooven geheel en al vervlochten zijn. Gelooven is, zoo zegt de Catechismus, niet alleen een zeker weten, maar ook een vast vertrouwen. Het is een acte, waarbij de gansche persoonlijkheid betrokken is en zich richt tot God en Zijn open-