Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te hanteeren. Toch bieden zij reeds een begin van onderscheiding. Later komen we erop terug.

Reeds vroeger hebben wij het gevoel beschouwd als een waardeering van de werkelijkheid. Het ik meet de zich aan haar aanbiedende wereld, en acht haar gunstig, aangenaam, of verwerpelijk, schadelijk. In dat meten gaat het spontaan te werk naar de eigen innerlijke maatstaven. Het houdt er geen lange beschouwingen over, maar het handelt momenteel, op het moment van den indruk zelf. Aan eiken indruk kent de ziel een waardemoment toe, hetzij ten goede of ten kwade. Dat is de subjectieve factor die in eiken gevoelsinhoud ligt.

Met andere woorden: het gevoel mogen wij omschrijven als die natuurlijke en spontane reactie van het ik op de werkelijkheid die zich aan ons voordoet, waardoor het aan die werkelijkheid een bepaalde waarde, of ten goede, of ten kwade toekent.

Behalve dat men het gevoel te eenzijdig aan gewaarwordingen verbond, had men voorheen ook ten opzichte van de kwaliteit der gevoelens een veel te simplistischen kijk. Men sprak van lust en onlust en daarmede achtte men de gevoelens voldoende gekwalificeerd. Tegenwoordig erkent men vrij algemeen een veel rijkere schakeering in het gevoelsleven. Men erkent dat er werkelijk kwalitatief verschil bestaat tusschen de lustgevoelens, welke zich achtereenvolgens voordoen 1. bij het hooren van een mooien klank of bij het smaken van een heerlijken dronk, 2. bij zich gezond en behaaglijk bevinden, 3. bij opgewekt en vroolijk zijn, 4. bij liefhebben en zich gelukkig achten, 5. bij zich verlost weten van zonde en schuld. Het zijn alle lustgevoelens; toch zijn ze telkens geheel anders van aard. Ze vertoonen een toenemen aan innerlijkheid; ze wijzen op verscheidenheid van diepte en daardoor ook van kwaliteit; ze liggen in verschillende gevoelskringen. Het contrast lust — onlust doet zich in elk dezer kringen voor, zoodat men tegenover de genoemde reeks lustgevoelens die der onlustgevoelens kan plaatsen: het gevoel 1. bij het hooren van een wanklank of het smaken van iets wrangs, 2. bij zich ziek, mat, onbehaaglijk bevinden, 3. bij neerslachtigheid en zich ongelukkig wanen, 4. bij miskenning of veracht worden, 5. bij smart om schuld en verlorenheid.

Het heeft aan pogingen niet ontbroken, om in de bonte veelheid een zekere ordening te ontdekken. En niet het minst in dit opzicht manifesteert zich het feit, dat het gevoelsleven ook nu nog een „crux" is voor de psychologen.

Eén der mogelijke oorzaken noemden wij reeds; we wezen op het subjectieve karakter. Het gevoel is te dicht bij, om zoo te zeggen; we kunnen geen afstand nemen om het te observeeren. En trachten we dit laatste toch te doen, dan heeft intusschen het gevoel zijn oorspronkelijk karakter in hoofdzaak verloren. Gevoel wil nu eenmaal beleefd zijn, niet gegrepen en geanalyseerd. Naast het citaat uit Schiller past het woord van Goethe: „Wat ik denk, kan iedereen denken, mijn hart heb ik alleen" (Werther).

Zoo mogelijk nog meer dan in het sterk-subjectieve karakter van het gevoel is de grond der meeningsverschillen te zoeken in den kijk, dien de onderscheiden onderzoekers hebben op de geheele menschelijke

Sluiten