Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidde, n.1. het physische en het psychische. Wanneer men zich daarvan los maakt en het eigensoortige opmerkt in soma, psycho-somatisch leven, psyche, pneuma, dan vindt men daarin evenzoovele sferen telkens met gevoelens van eigen aard; derhalve:

1. de somatische of zinlijke gevoelens,

2. de vitale of algemeene levensgevoelens,

3. de psychische en de psychisch-geestelijke gevoelens,

4. de geestelijke of personale gevoelens.

Eerst enkele opmerkingen.

Uit dit schema blijkt reeds, dat de grenzen niet scherp te trekken zijn. Van 1 naar 4 is er een climax, een toenemen aan innerlijkheid. Er is een stijgen van lager naar hooger; zoodat men terecht spreken kan van lagere en hoogere gevoelens. Ook de termen „meer perifeer" en „meer centraal" zyn passend. „Hooger" en „meer centraal beteekenen beide, nauwer op het (personale) ik betrokken. Het spreekt van zelf dat dergelijke termen, aan ruimtelijke verhoudingen ontleend, overdrachtelijk zijn bedoeld, en dat ze niet meer beteekenis en waarde bezitten dan van steunsels, of behulpsels bij het denken en bij de beschrijving. (Verder vgl. men o.a. Scheler: „Der Formalismus in der Ethik etc", Halle 19212, en „Wesen und Formen der Sympathie, Bonn 19232).

1. De somatische of zinlijke gevoelens.

Ze hangen met gewaarwordingen ten nauwste samen. Door dit verband laten ze zich gemakkelijk groepeeren, bijv. naar de verschillende zintuigen, het aangename en onaangename bij kleuren, geluiden, smaken en geuren, het onaangename bij pijngewaarwording en het prettige gevoel bij het verminderen van pijn. Het valt op, dat bij de „lagere" zintuigen: smaak en reuk de graad van lust-onlustintensiteit veel sterker uiteenloopt dan bij de hoogere. Ongetwijfeld heeft dit bijzondere beteekenis voor het leven. De licht intredende walging, juist bij de zintuigen die de controle uitoefenen op hetgeen tot den mensch ingaat, werkt behoedend. Dat neus en mond zoo dicht bijeen zitten is zeker niet zonder zin.

Voor de met de gewaarwordingen verbonden zinlijke gevoelens geeft men wel de volgende kenmerken aan:

a. Ze zijn te localiseeren. En wel daar, waar men het betreffende lichaamsdeel beleeft. Dit klopt niet altijd. Het is de vraag, of men het aangename bij een mooie kleur, in de oogen mag localiseeren, hoezeer ieder ook spreekt van een „lust der oogen". Toch schijnt Scheler zulks, evenals bij het gehoor, te vooronderstellen. Anderen trekken het terecht in twijfel.

Gevoelens bij pijn aan een lichaamsdeel, bij streelingen, jeuk, ook die bij reuk- en smaakgewaarwordingen kunnen bij voldoende intensiteit het geheele organisme doorvloeien. Deze verplaatsing, uitbreiding of uitstraling is juist mogelijk, doordat de zinlijke gevoelens over het algemeen aan localiseerbare orgaangewaarwordingen zijn verbonden.

b. Ze zijn niet direct op het ik betrokken, zooals vreugde, hoop, zielerust, doch slechts indirect en wel via het lichaamsgevoel, via bepaalde orgaangewaarwordingen. In verband hiermede doen zich nog al eens vergissingen voor. Bijv. gebeurt het vaak, dat iemand een onaangenaam gevoel heeft in een geamputeerd lichaamsdeel. Talrijker zijn de gevallen

Sluiten