Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en natuurlijk gevoel verstikt, worden gezonde en oorspronkelijke strevingen en gevoelens door het listig intellect van hun natuurlijken aard beroofd, worden huwelijk en gezin door flirt en kinderbeperking grondig vernield. Misschien met eenige overdrijving maar niet geheel zonder grond poneert men wel de stelling, dat de groote stad na enkele generaties zou uitsterven, indien niet onafgebroken van uit de provincie nieuw leven werd toegevoerd.

Het is een zeer oude en zeer gecompliceerde kwestie, die van „stad en land". Dat ze ook ons thema over algemeene gevoelsafstomping raakt, valt niet te ontkennen.

* *

*

28. Stemmingen en affecten.

In het gevoelsleven nemen stemmingen en affecten een eigen plaats in. In het algemeen onderscheiden de eerste zich door een zekere gelijkmatigheid en een betrekkelijk langen duur, de laatste door hun impulsieve, overrompelende kracht. Voorts heet het, dat stemmingen niet, affecten wel intentioneel zijn; m.a.w. stemmingen hebben geen object, affecten wel. Van stemmingen weet men, dat ze er zijn, maar lang niet altijd van waar ze komen, waarop ze betrekking zouden kunnen hebben. „Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass ich so traurig bin", zoo vangt Heine teekenend zijn „Lorelei" aan. Men is goedsmoeds, opgewekt, weemoedig, somber, neerslachtig zonder meer. In de echte stemming zelf is de relatie tot een bepaald object niet gegeven. In het affect wel. Men is boos op iemand, toornig over iets, bevreesd voor iets, enz.

Wanneer men eenmaal weet, wat stemmingen en affecten zijn, dan kan men met deze onderscheiding genoegen nemen. Doch men blijft er van overtuigd, dat de grenzen vaak uiterst moeilijk zijn aan te geven. Er zijn pathologische gevallen, die zich kenmerken door een vlugge wisseling der stemmingen, zoodat deze uiteraard slechts kort van duur zijn: het komt eveneens voor, dat affecten boven een matigen intensiteitsgraad niet uitkomen. En wat de intentionaliteit betreft: het heet, dat vrees steeds intentioneel, dus op een (dreigend) object gericht is en dat in den angst de relatie tot eenig object ontbreekt. Toch zal niemand beweren, dat alle angstvormen stemmingen zouden zijn en dat bijv. bevreesd zijn steeds een affect zou moeten heeten.

STEMMINGEN.

De tijd ligt nog niet ver achter ons, dat men voor het ontstaan der stemmingen uitsluitend de „lichaamsgewaarwordingen" verantwoordelijk stelde (Rehmke o.a. in Zur Lehre vom Gemüt 19112 blz. 74). Stemmingen zouden niets anders zijn, dan „versmeltingen van orgaangewaarwordingen met gevoelstonen". We maakten reeds eer bezwaar tegen een dergelijke versmeltingstheorie. Ze is direct in strijd met de ervaring. Hoe vaak ziet men niet, dat zieken ook tijdens vrij zwaar lijden zich in een goede stemming verheugen, dat daarentegen gezonde menschen in de meest miserabele neerslachtigheid dagen, weken, rondloopen.

Sluiten