Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen, je kunt ook niets doen; je leven ligt causaal vervlochten in het wereldgebeuren voor een onbeduidende spanne tijds".

Voorwaar, een troostelooze troost; want met dat al blijft de mensch bij zich zelf alleen, met zijn geweten, met zijn menschelijk besef van verantwoordelijkheid.

De wijsgeerige idealist troost zich anders. IVIocht hij in een diepe depressiestemming zich bevinden, moede van den innerlijken strijd tusschen „zingenot en zielevrede", dan klinkt hem de bemoediging bijv. uit één van Schillers gedichten ongeveer aldus toe:

„Slechts het lichaam is aan wetten gebonden, maar vrij is de „gestalte", de niet aan de aarde gebonden menschengeest; werpt den aardschen angst van u af, zweeft op de vleugelen uws geestes omhoog uit het doffe enge leven naar het rijk der „gestalten" (ideeën, vormen, idealen), vlucht weg uit de omperking der zinnen in de vrijheid der gedachten; dan zal het angstphaenomeen verbleeken, dan zal de bange afgrond zich vullen; neemt de godheid op in uw wil, ze zal van haar troon stijgen en u onderworpen wezen; slechts de slavenziel ligt gebonden in de boeien der wetten; ge zult u vrij maken, want ge kunt; het onsterfelijke in u moge tijdelijk onder liggen, doch zijt getroost: in de klare regionen, waar de reine „vormen wonen, ruischt de storm van het leed niet meer, zal de smart door de ziel niet meer snijden, zullen geen tranen meer vloeien; de geest is goddelijk, is almachtig; hij kan zich vrijmaken, hij moet zich vrijmaken, naar den regel dien Immanuel Kant aldus formuleerde: Du solist, denn du kannst".

Tracht de naturalist zich vergeefs te troosten door omlaag te glijden in een stoffelijke, natuurwetmatige wereld zonder vrijheid en zonder verantwoording, de idealist zoekt zijn toevlucht in absolute vrijheid van den onstoffelijken geest, in een hemel van eigen maaksel.

Tegenover ^ beide staat de Christen. Kierkegaard zag den angst als zielenood vóór alles in verband met de erfzonde, en zei terecht: „Alleen het geloof is bij machte allen angst te overwinnen". Vertroosting vindt de Christen niet in absolute onvrijheid, noch in absolute vrijheid; niet in een gedachtending als het ijzeren noodlot, noch in een gefingeerden hemel als rijk der ideeën, maar in de verlossing van ellende en dood door Jezus Christus. De troost van den Christen vindt zijn formuleering in het antwoord op de eerste vraag van den Catechismus: „Wat is uw eenige troost, beide in leven en sterven?" Deze troost is daarom niet ijdel, omdat ze in plaats van door menschen te zijn bedacht door Goddelijke openbaring werd geschonken.

Het is wel eigenaardig, dat juist de angst van oudsher zoozeer de belangstelling trok. Geen psychologische richting ook van dezen tijd, die van het dagelijksch leven niet al te ver af staat, is er, of zij wijdt haar speciale aandacht aan het angstverschijnsel. Over blijdschap, vreugde e.d. wordt nauwelijks gerept; voor angst zoekt men een verklaring.

Zoo tracht de school van Freud de meeste angstgevallen in samenhang te brengen met stoornissen of oneffenheden van sexueelen aard

Adler, Künkel en ook Jung zien in een niet aangepast zijn van het individu aan den dagelijkschen arbeid en aan den medemensch nog belangrijker bronnen voor angstgevoelens. Aanpassing is in eerste instantie

Sluiten