Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een daad wijst dus uit naar welke zijde het evenwicht van de persoonlijkheid ligt.

Het voorbeeld dat wy reeds gebruikten kan ons ook hierbij van dienst zijn. Stel dat de man, die op eenmaal de gelegenheid voor zich ziet om te stelen, zonder dat hij gevaar loopt ontdekt te worden, zich een oogenblik bezint, en zich niet zoo maar laat overrompelen. Hij denkt b.v. aan zyn overleden moeder, die hem altijd het goede heeft voorgehouden. Hij herinnert zich het gebod: gij zult niet stelen, en voelt dat hij zonde doet tegen God. Ook overvalt hem de vrees: als het nu toch eens ontdekt wordt en ik zou in de gevangenis komen, wat dan? Stel dat hij tenslotte zich over al die motieven heenzet en zegt: ik doe het toch, wat kan het mij schelen? ik ben niet van plan om mijn gezin armoe te laten lijden. In dat geval zou de daad waaraan hij zich schuldig maakte, een veel ernstiger karakter dragen. Zij zou immers uitwijzen dat het evenwicht van zijn persoonlijkheid scheef ligt. De sociale, zedelijke, religieuze tegenmotieven, zijn eigen zelfrespect en ook het welbegrepen belang van zijn gezin, wegen minder zwaar dan de momenteele bevrediging die hij, in geval hij de daad wel doet, hun schijnbaar geven kan, en de voldoening van zijn eerzucht. Zoo lang het evenwicht daar blijft liggen, kan hij ieder oogenblik een soortgelijke daad weer doen, het is een handeling die zijn geheele persoonlijkheid heeft getypeerd. Ieder voelt dat in dat geval de zonde zwaarder is en dat dus ook de gevolgen der zonde ernstiger moeten wezen. In het eerste geval ligt de zonde vooral in de desorganisatie die het mogelijk maakt dat de zedelijke en religieuze provincies uitgeschakeld worden, in het laatste geval blijkt de persoonlijkheid zelf tot de zonde te neigen.

Wij spreken hier van motieven. Motieven zijn al zulke voorstellingen, begrippen enz., die hun kracht ontleenen aan dieper liggende instincten. De vrees voor straf b.v. is een motief, zij rust in het ego-instinct, het besef van zonde te doen is een motief, want het*rust in de religieuze aandrift. Ieder motief kan dus, diep beschouwd, tot een grond-instinct worden terug geleid. De diepe instincten doen zich in het bewustzijn gelden in den vorm van motieven. Nu zijn er naast de motieven ook wel eens krachten die zich niet aan zulk een concrete voorstelling vast hechten, die onbewust blijven. Iets dergelijks kan zich wel eens voordoen bij verliefdheid. Het is mogelijk dat een jonge man verliefd wordt op een meisje, en dat alle motieven tegen die verbintenis spreken. Zijn ouders zijn er op tegen, zijn positie wordt er door geschaad, hij moet toegeven dat het meisje ook niet hoog staat, en erkennen dat het de vraag is of ze hem op den duur zal kunnen bevredigen. Het is ook een meisje zonder godsdienstig besef, en zijn religieuze gevoelens verzetten zich tegen de verbintenis. Kortom, er is geen enkel deugdelijk motief voor de verloving, integendeel, alle verstandelijke, zedelijke en religieuze motieven werken tegen. Dan is het desniettemin toch nog mogelijk dat hij het doorzet. Er is dan een kracht in het werk, die zich wel niet in een bepaald motief belichaamt, en die toch sterker is dan alle andere tesamen. Hij wordt als onbewust gedreven, ten deele tegen zijn wil. Die kracht zelf is niet te definieeren, ze is meer een geweldig sterke onbewuste drang, de drang der verliefdheid. In dat

Sluiten