Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze niet kunnen wanneer ze restloos in het proces van het gebeuren, in den tijd opging. Was ze niet anders dan een bundel van voorstellingen, dan zouden de beelden voorbijgaan als een film. Nu echter houdt zij het vast, nu handhaaft ze zich temidden van en ondanks die rustelooze wisseling. En juist daardoor betoont ze eeuwig, vast te zijn in al het veranderende.

De ziel is in de derde plaats verbindende. Ze brengt de beelden, voorstellingen, gedachten met elkaar in verband, ze trekt de lijnen erdoor. Daarin verraadt ze haar eenheid. Want wanneer ze niet anders was dan een optelsom van die beelden zelf, dan zou ze nooit orde, eenheid erin kunnen ontdekken. Nu kan ze groepeeren, classificeeren, ordenen. De werkelijkheid waarmee ze te doen heeft is wel oneindig verscheiden, maar zij staat boven die verscheidenheid. Zij overspant de veelheid, en verbindt ze tot de eenheid. Zoo handhaaft ze zich als het verbindende temidden van het chaotische.

De ziel is in de vierde plaats waardeerende, dat is, zij kent aan de werkelijkheid een bepaalde waarde toe. Daarin bewijst ze tegelijk haar afhankelijkheid en haar centrale positie. De werkelijkheid is voor haar maar niet een object dat ze kennen kan, maar dat ze ook noodig heeft, dat haar vreugde en leed berokkenen kan. En haar centrale positie komt daarin uit dat ze zichzelf als maatstaf stelt. Ze beoordeelt de dingen niet alleen naar wat ze in zichzelf zijn, naar wat ze ten opzichte van elkander zijn, maar ze meet de dingen naar wat ze voor haar zijn. Zij stelt zich in het centrum van de dingen en beziet elk ding in zijn relatie tot haar. En die relaties rekent ze soms tot de eigenschappen van de dingen. Ze noemt lekker en mooi en leelijk en pijnlijk eigenschappen van de dingen, inplaats van relaties ten opzichte van zichzelf. Ze acht dus die relaties een wezenlijk kenmerk van de dingen. Daarin stelt ze zichzelf als het centrale, dat tot een maatstaf der werkelijkheid is.

De ziel is in de vijfde plaats verlangende. Daarin bewijst ze haar „scheppende" kracht. „Scheppend" hier natuurlijk te verstaan in afgeleiden zin; als omscheppend. Ze beperkt zich niet tot een aanvaarden van de werkelijkheid zooals ze is, neen, ze wil die werkelijkheid anders maken, omvormen naar haar behoeften. De werkelijkheid is in haar handen kneedbaar materiaal, mogelijkheid. Zij is de koningin der werkelijkheid. Zij staat in zekeren zin boven door haar scheppende kracht.

Elke actie van de ziel verraadt dus een eigenschap van de ziel. Ge behoeft maar te weten wat ze doet en ge weet tegelijk wat ze is. Want wel ligt het „ik" zelf, diep verborgen achter alle verschijnselen, maar de stralen van zijn licht doorglanzen alle domeinen van het psychische. Uit haar verschijnselen klimmen wij op tot haar wezen, uit haar kunnen kennen wij haar zijn. Voor wie het zoo ziet is de orde van de psychische verschijnselen ook niet eentonig, niet onverschillig. Hij gevoelt het belang ervan te weten wat de ziel doet, opdat hij haar kennen moge. Wie het psychische oppervlakkig beziet, meent dat daarin alleen de wereld verschijnt, dat de ziel de spiegel is der wereld. Dat is in zekeren zin ook wel waar, want ons bewustzijn is elk oogenblik van de beelden der wereld vol. Maar diepere studie doet ons bemerken dat in de psychische verschijnselen de ziel zelve verschijnt, dat ze zelve erin uitkomt. Ge ziet het

Sluiten