is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij er aan? Hij loopt gevaar voor levensvervlakking, voor materialisme, hetzij in theorie of in de practijk.

De aesthetische mensch is de mensch voor wien de hoogste levenswaarden zich groepeeren rondom het aesthetische. Ook zij staan, evenals de theoretische menschen, eenigszins buiten het leven. Zij zien het aan, blijven toeschouwers, en kunnen zich er nooit geheel in weggeven. Bij hen komt het evenwel niet aan op het logisch grijpbaar maken, doch op het in-voelende, mee-voelende genieten. Zij staan in het leven als in een machtig theater waar zich aan alle kanten allerlei tragedies afspelen. Daarin leven ze in zekeren zin mee, en ze genieten erin mee, en toch blijven ze er altijd min of meer buiten staan. Dat komt omdat het hun in den grond om andere waarden te doen is dan andere menschen. Zij zoeken het aesthetisch bevredigd worden. Daarmee hangt weer samen dat ze van nature individualist zijn, ze geven zich niet gemakkelijk in eenige gemeenschap en kunnen er ook nooit geheel in opgaan. Ten opzichte van de religie staan ze in den regel nooit onverschillig. Toch is de religie geen bewegende kracht in hun leven, maar veel meer een stemming, een aesthetische ontroering. Hun religieuze voorstellingswereld neigt tot pantheïsme.

De sociale mensch zoekt de hoogste levenswaarden in de gemeenschap, vooral in de hoogste vormen der gemeenschap, de liefde. Zijn leven is van stonde aan gericht op den ander, hij kan het zich ook niet zonder den ander denken. Hij denkt en hij leeft vanuit een wijder „ik", hij vat zich in zijn eigen leven met anderen samen, hij leeft vanuit de gemeenschap. Natuurlijk zijn er weer allerlei onderscheidingen mogelijk naar de vormen waarin zich dat sociale leven voltrekt. Bij den een is het gezinsleven het centrale van waaruit alles gedacht wordt, bij anderen staan andere gemeenschappen meer in het middelpunt.

De machtmensch ziet de hoogste waarde in de macht. Wetenschap, beschaving enz. dienen voor hem tot vermeerdering van de macht. Zelfs het economische goed, geld en andere goederen, strekken tot vermeerdering der macht. Hij wil boven alles heerschen en gediend worden. Gelukt het hem niet langs normale wegen tot macht te geraken, dan beschikt hij over allerlei kunstgrepen om langs anderen weg toch te heerschen. Dat is het nerveuze karakter dat Adler zoo treffend beschreven heeft. Tegenover de religie staat de machtsmensch welwillend. Hij voelt haar als noodzakelijk. De religie dient immers om den menschen goed in te prenten dat zij „den machten" gehoorzaam moeten wezen.

De religieuze mensch eindelijk stelt de hoogste levenswaarde in het religieuze en alle andere daaraan ondergeschikt. Het kan wezen dat hij alle andere waarden ontkent, dat hij zich tegenover cultuur en natuur stelt en zich „weltfeindlich" in de eenzaamheid terugtrekt. Het kan echter ook wezen dat hij alle andere waarden wel in hun relatief recht erkent en de religie stelt als de samenvatting, de verbinding van alle. Religie is immers altijd een leven vanuit het centrum der persoonlijkheid, een met heel zijn wezen zich stellen tegenover de werkelijkheid.

Dat zijn in het algemeen de verschillende typen van menschen met wie wij in de practijk te doen hebben. Natuurlijk verbeeldt Spranger zich niet dat ze als zuivere typen op aarde rondloopen. Het gaat bij al