Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze, dat een mensch zichzelf niet gelijk blijft. De groote lijnen worden meest niet zoozeer verwisseld of veranderd, maar in de détails treden telkens wijzigingen op. Veel voorspoed of tegenspoed, veel waardeering of miskenning, eer en schande verzuimen niet sporen achter te laten in het karakter. Verschuivingen vinden telkens plaats. Ook functioneele veranderingen zijn niet zeldzaam. Het is b.v. mogelijk dat iemand in zijn jeugd vooral gewaarwordingsmensch is, later onder den druk van het leven meer wilsmensch wordt, en in zijn ouderdom de kracht zoekt in de mneme. Desniettemin is het in de meeste gevallen opmerkelijk hoezeer een mensch innerlijk zich zelf handhaaft. De grootste invloeden van buiten z\jn meest slechts in staat zeer zwakke ombuigingen in het innerlijk leven tot stand te brengen. De mensch wordt wat hij is. In zijn karakter ligt zijn geschiedenis.

* *

*

37. Anthropologie en karakterologie.

Eenige algemeene opmerkingen mogen hier tenslotte een plaats vinden.

Stellen we de vraag: „Wie zijt gij?" of „Wie ben ik?", dan is er tweeërlei wetenschap, welke zich met de beantwoording daarvan speciaal bezig houdt:

1. de wijsgeerige anthropologie;

2. de karakterologie.

Voor de eerste is de grondvraag: wat is de mensch in het algemeen, wie is hij eigenlijk, hoe is hij georganiseerd, wat onderscheidt hem van de andere schepselen.

In de karakterologie vraagt men niet naar het wezen van den mensch, maar naar het eigenaardige van een mensch, naar de eigenschappen van een exemplaar of van een groep, in onderscheiding van die van een ander exemplaar of een andere groep. Komt de karakterologie niet verder dan tot het onderbrengen van een exemplaar in een groep, dan spreekt men van typologie; tracht ze den enkeling nader te doen kennen, dan meestal van menschenkennis.

Hoezeer de tweede wetenschap in tegenstelling met de eerste in hoofdzaak practisch van aard is naar opzet en doel, zoo verraadt elk karakterschema toch meestal het standpunt, hetwelk de betreffende karakteroloog inneemt ten opzichte van de principiëele vraag: „Wat is de mensch?"

In het algemeen kan men in den mensch onderscheiden:

1. het terrein der hoogere functies: gelooven en waardeeren, kennen en weten; dit höogere vooral maakt den mensch tot mensch, tot cultuurwezen, tot redelijk zedelijk wezen; — het is het terrein van den geest;

2. het gebied der gewaarwordingen, driften, neigingen, emoties, affecten, stemmingen e.d., saamgevat onder den term: het vitale, emotioneele of ook wel het ■psychische;

3. het stoffelijke met al de zich daarin voltrekkende processen, al hetgeen om zoo te zeggen binnen het bereik valt van de onderzoekingen, die door chirurg of chemicus zijn in te stellen; men noemt het wel het somatische.

Sluiten