is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder één formule brengen kunt. Aan de oneindige verscheidenheid van denken en streven, van emoties, driften en begeerten ligt ten grondslag een diepere eenheid, die ons wel meestal ontgaat, maar die daarom niet minder wezenlijk is. God kan ons leven, ons heele zijn, in één woord uitdrukken. Voor Hem trekken zich alle lijnen samen tot enkele grondlijnen, die het architectonisch geheel volkomen bestemmen.

De drie verhoudingen, die het leven van den mensch bepalen, wijzen heen naar het metaphytisch bestand van den mensch, drukken uit de verhoudingen waarin hij staat in het wereldgeheel. Het ego, geboren uit de gemeenschap van anderen, leeft uit de gemeenschap. Het blijft door heel zijn leven, zoowel in zijn lichamelijke als geestelijke behoeften, van anderen afhankelijk. Zijn brood wordt door anderen bereid, zijn kleeding door anderen gemaakt. Zijn taal wordt hem door anderen geleerd, zijn gedachten zyn hem door anderen voorgehouden. Daarom moet het ego terstond van zijn geboorte af staan in een bepaalde verhouding tot de gemeenschap. Daar kan het niet buiten, want het is alleen doordat het is in de gemeenschap. Deze verhouding is de basis van zijn sociale wils- en gevoelsleven.

Het ego rust in God, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zyn wij. Het ego kan alleen als in God bestaande gedacht worden. Een mensch heeft elk oogenblik met God te doen, God is de diepe oorzaak van al zijn levenservaringen. Daarom moet hij terstond van zijn geboorte af aan staan in een bepaalde verhouding tot God, bewust of onbewust. Hü kan daar niet buiten, want hij is alleen doordat hy is in God. Deze verhouding is de basis van zijn religieuze denken, streven en gevoelen.

Het ego, hoewel aan alle zijden bepaald en in alle opzichten afhankelijk is zich niettemin bewust iets eigens te zijn, en zelf mede oorzaak in het leven van anderen. Al wordt hij van alle zijden ingesloten, hij voelt dat hij toch iets anders is, iets nieuws, iets afzonderlijks. Als zoodanig wil hij zichzelf handhaven, zichzelf vermenigvuldigen, zichzelf uitleven. Daarom moet het ego, terstond van zijn geboorte af aan staan in een bepaalde verhouding tot zichzelf, bewust of onbewust. De mensch kan daar niet buiten. En deze verhouding is de basis van zijn ego-drift.

De zielkunde is nooit los van de algemeene mensch-beschouwing van de inschouwing in het wereldbestand, van de metaphysica. Daarom is ook alleen die zielehouding van hooger standpunt gezien gebillijkt, welke met dat wereldbestand in overeenstemming is. Wanneer het waar is, dat God de bron, de oorzaak van ons leven is, dan moet ook God in' ons leven de eerste plaats innemen, het centrum van alles zijn. En indien het waar is, dat de mensch op dezelfde wijze vrucht van de gemeenschap is als oorzaak ervan, kind en tegelijk vader, dan moeten de verhoudingen, die hij inneemt tegenover zichzelf en anderen, elkaar in evenwicht houden, dan moet hij zijn naaste liefhebben als zichzelf en zichzelf als zijn naaste. Alleen dan kloppen zijn leven en zijn aandriften met de ontzaglijke werkelijkheid. Indien hij daarentegen zichzelf tot een God is, dan ligt hij vreemd en verwrongen in het wereldverband. Die God liefheeft boven alles en zijn naaste als zichzelf, die doet de waarheid, dat is: diens leven is in overeenstemming met de waarheid waarin hij rust.

Met deze uiteenzetting is de indeeling van dit hoofdstuk eigenlijk ge-