Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerlijke hem de baas is, alleen maar hij zal zich hetzij beroepen op zijn gevoeligheid, waardoor hij wel eens onaangename dingen door een leugentje ontwijkt, of op zijn succes waarmee hij in deze verleugende wereld toch maar aardig zijn broodje heeft. In het eerste geval zal hij de eerlijken onwillekeurig gelijk stellen met de bruten, de geweldigen, die ongevoelig en hard voor niets uit den weg gaan, in het laatste geval zal hij ze beschouwen als armzaüge stumpers die niet voldoende zijn aangepast. Maar altijd zal ieder mensch iedere eigenschap die hij bezit zichzelf toeëigenen. Wel is waar zal niemand het onbedekt durven uitspreken dat hij zichzelf beschouwt als den meest geslaagden mensch, zelfs de meesten zullen het niet eens durven denken. Ge proeft dit levensideaal eerst dan wanneer ge den mensch over anderen hoort spreken, en dan altijd het zoo ziet keeren dat zijn eigen systeem als schitterend naar voren komt. Op den achtergrond van alle critiek op anderen, van alle beschouwingen over zichzelf voelt ge altijd het ideaal van de zelfheerlijkheid.

Om deze houding te kunnen volhouden zal een mensch als regel twee wegen inslaan. De eerste is de directe weg van de zelfrechtvaardiging. Ten aanzien van alle gelukkige eigenschappen zal een mensch al heel gemakkelijk zichzelf kunnen waardeeren. De tweede weg is deze dat hij geneigd is alle moeilijkheden die zich hem in den weg gesteld hebben, onwillekeurig een weinig te overdrijven. Dat is de „slachtoffer-theorie" waardoor hij vaak zijn geringe levenssucces toch nog rechtvaardigen kan. Ik ben ook altijd ziek geweest. Mijn ouders hebben mij ook geheel verkeerd opgevoed. Ik ben erfelijk belast. Ik ben onder een ongelukkig gesternte geboren. Ik word door niemand begrepen. Mij loopt altijd alles tegen. Talloos zijn de middelen waardoor de mensch op eenmaal, juist wanneer ge meent hem van onwaarde overtuigd te hebben, uit het net springt. Ik ben het groote slachtoffer. Wanneer dat maar anders geweest was, wanneer die omstandigheden maar niet zoo ongunstig geweest waren, dan zoudt ge eens zien wat er van mij zou geworden zijn. Op die wijze heeft hij met groote listigheid zijn zelfheerlijkheid gered.

Een andere uitweg is dat hij op een gegeven moment zijn fout erkent. Ook dan echter heeft hij een sluipweg, want dan is de gedachte voor de hand liggend: zoo ben ik nu eenmaal, ik erken het wel wanneer ik verkeerd gehandeld heb, ik draai er niet om heen. Ook dan weer voelt ge dat ge niets bereikt hebt. In zyn levenssysteem past juist dat erkennen van fouten, het is mede grond voor het gevoel van zijn zelfheerlijkheid. Hij vindt het zelf fijn dat hij dat doet. Buitengewoon merkwaardig is de handigheid en de slimheid, waarmee ieder mensch, ondanks al zijn tegenslagen en fouten, in staat is zijn zelfheerlijkheid te redden.

Om die redenen is het ook zoo dwaas dat iemand van zichzelf zegt: kan ik het helpen dat mijn karakter zoo is? Dat zou wel zoo wezen wanneer er in het karakter trekjes waren die niet gesanctioneerd waren door het ik. Dat echter is juist niet het geval. Het ik draagt al die eigenschappen, beroemt er zich op, is er blij mee, koestert ze. Een mensch is zooals hij wil zijn. Dat is in het algemeen genomen de grond van het zelfgevoel. Op die basis rust die menigte van sentimenten, die op het ik

betrekking hebben.

Dat zelfgevoel nu ontstaat als regel niet in een moment. Het heeft zijn

Sluiten