Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschiedenis. De eerste schreden die een mensch op den levensweg zet zijn nog wankel en onzeker. Hij bootst bij voorkeur anderen na, is nog' niet overtuigd van de waarde van zijn eigen systeem. Dat komt eerst in den loop der jaren. Langzamerhand gaat zijn karakter zich zetten, en hij krijgt dat typische besef van eigenwaarde dat vooral in de puberteitsjaren zoo karakteristiek is. De mensch gaat zien dat voor al die eigenschappen ook iets te zeggen is, dat hy, al is hij ook de mindere in het een, daarom op zichzelf nog niet minderwaardig is. Dat is de afgerondheid

trfSSÏf die vaak *" den buk det ■**"•"-a-

r PUb!rtei!Sjaren geven in tal van opzichten een belangrijke crisis, n de eerste plaats wordt het zelfgevoel anders gericht. Het komt er iets meer op aan of men in staat is bij het andere geslacht groote veroveringen te maken. Op dat punt richt zich van nu af aan de groote belangstelling De een is daarin zeer geavanceerd. De ander blijft tijden lang achter voelt niet eens waar het om gaat. Maar ook in andere opzichten werkt de crisis door. De persoonlijkheid verliest het besef van zelfheerlijkheid en kan zich bij wijlen zielsongelukkig en verdorven gevoelen. Het is alsof er een scheur komt in de tot nu toe zoo gave bast van zelftevredenheid

Ifh t n, ? aCtIe k°men die machtiSe behoeften, die diepe

afhankelijkheid en slechte zinnelijkheid bloot leggen. In dien tijd maakt

et zelfgevoel van den mensch de grootste schokken door. Met de ont-

wTL?n h6t zelfgevoel hangt dan ook samen de ontwikkeling van het liefdeleven. De vrijmoedige, die zich door de stormen gemakkelijk heenslaat en het besef van zijn zelfheerlijkheid niet verliest, durft gemakkehjk en met meer energie zijn aanvallen richten op het andere geslacht. Daarentegen de schuchteren, de teruggetrokkenen, de bedeesden staan vaak tijdenlang in tweestrijd wat ze doen moeten, ze hebben den moed niet veroveringen door te zetten. Door al die schokken en conflicten een groeit dan het zelfgevoel van den volwassene waarin het besef van de zelfheerlijkheid reeds diep verwerkt is.

Eigenaardig is dat ook de bescheidenen, de menschen van weinig zelfvertrouwen, aan de ziekte der groote inbeelding lijden. De bescheidenen weten immers heel goed dat ze juist door hun bescheidenheid uitsteken boven de brutalen dat ze ook in het algemeen meer geliefd zijn. Ook ie trekjes dienen dan ook mede om het zelfgevoel te versterken. Men moet zich van deze dingen diep doordringen, wil men een zuiveren kijk verkrijgen op de richting van het zieleleven. Ieder mensch bezit een merkwaardig gevoel van meerwaarde, dat hij, ondanks alles wat er tegen getuigt, met allerlei hstige kunstgrepen te bewaren zoekt.

Dat alles zou nu heel eenvoudig wezen, wanneer niet het leven op onbarmhartige wijze ons telkens weer onze minderwaardigheid te binnen bracht. Dat gebeurt al wanneer wij nog kinderen zijn. Het kind moet niet anders dan telkens weer ervaren dat het minder is, vergeleken bij zijn ouders en oudere broertjes of zusjes. Dat gebeurt op de school, waar een enkeling met de hooge cijfers wegloopt, en velen ternauwernood mee kunnen komen. Dat gebeurt op het voetbalveld en in de huiskamer, kortom overal dringt zich een minus-besef aan het kind op. Te sterker frappeert dit nog wanneer b.v. een broertje of zusje altijd voorgetrokken wordt en Zielkunde

19

Sluiten