is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zelf telkens weer bemerkt, dat men het achteruit zet. Vooral in groote gezinnen zijn er altijd wel enkelen die onwillekeurig op den achtergrond geschoven worden. Zij zijn te weinig streeling voor het ouderlijk eergevoel, ze munten niet uit door knapheid of schoonheid. Dan kan een zeer diep minus-gevoel zich van het kind meester maken.

Niet alleen het kinderleven maar ook het leven van den volwassene echter is rijk aan aanleidingen tot het minderwaardigheidsbesef. Wij blijven allen telkens achter, wij betrappen onszelf herhaaldelijk op fouten. Wij hebben het in zekeren zin ons verstandelijk wel toegeëigend dat er „in ons geen goed woont", en de ervaring bevestigt ons dat bijna eiken dag. Bovendien zien wij telkens anderen ons voorbijstreven, die begaafder, die beter en flinker waren dan wij zelf. Geen wonder is het dan ook dat zich ook andere gevoelens moeten baan breken, dat allengs het besef van minderwaardigheid zich in de ziel vestigen gaat.

Omdat dit besef evenwel in strijd is met den heerschenden gang in het zielsgebeuren, neemt het een complex-karakter aan. De minderwaardigheidsgevoelens lossen niet op in het bewustzijn, zoodat ze het besef van zelfheerlijkheid temperen, maar ze worden verdrongen, ze blijven op den achtergrond, in de schuilhoeken van het zieleleven sluimeren. Ge ziet ze als regel niet dan in enkele zeldzame momenten schuchter naar voren treden. In den droom kunnen ze zich uiten als angst en vrees, bijwijlen kunnen ze ontwaken als een bangheid voor het leven die zelfs verlangen doet naar den dood. Het zijn nu deze minderwaardigheidsgevoelens, die het probleem van het zelfgevoel zoo ongemeen interessant maken. Ter oriënteering geven wij hier enkele typen van verwerkingen:

A. Sterk besef van eigen waarde. Door opvoeding in de hand"gewerkt. Verwend (b.v. eenig kind). Gevoelt groote belangstelling als een recht dat hem toekomt. Wordt daardoor onwillekeurig ook op school middelpunt. Eischt veel. Voldoende begaafd, zoodat een zekere carrière ook wel verzekerd is. Minderwaardigheidscomplex blijft klein, zwak. Bang voor den dood. Overigens in later leven wel tevreden, lichtelijk opvallend

zelfgenoegzaam, critisch. •

B. Sterk besef van eigenwaarde. Verwend. Niet voldoend# begaafdheid. Reeds vroeg door vergelijking met vriendjes enz. aanleidingen tot minusbesef. Deze worden sterk verdrongen. Krachtige complexvorming. Behoefte aan compensatie. Sluit zich bij voorkeur aan bij jongeren, waar men gemakkelijk de meerdere is. In het algemeen uit op goedkoope overwinningen. Gevaar om voorganger te worden in het kwade, te renommeeren op onzedelijke en slechte gedragingen. Ontvluchten van elk milieu waar de minderwaardigheid aan den dag treedt. Daarom weinig rem wanneer het in het leven mis gaat. Slechte vrienden. Dit type heeft het grootste gevaar om spoedig te verongelukken.

C. In de jeugd achteruit gezet. Vrij spoedig vorming van sterk minderwaardigheidscomplex. Gevaar voor zelfmedelijden. Slachtoffer-theorie: ik ben altijd ongelukkig enz. Voldoende begaafdheid. Neiging tot teruggetrokkenheid, innerlijk verwerken van de levensspanningen. Sterke phantasie. Introverse geesteshouding. Dit type valt niet op. Later komt er meer evenwicht. Het leven valt mee. Voegt zich gemakkelijker in de gemeenschap.