is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkregen (empirisme); pas achteraf, a posteriori, komt men tot kennis der verschijnselen (aposteriorisme); ervaring is slechts door de zinnen te verwerven, „niets is in het verstand, wat niet eerst in de zinnen was" (sensualisme); het lichamelijke, de dynamische krachten, de levensdriften zijn werkelijk, al het andere is schaduw, is naam (nominalisme).

Tegenover dit alles moet met klem betoogd, dat het geestelijke niet afleidbaar en dus in zekeren zin zelfstandig is. Al zou men de hersenof kliercellen fotografeeren en projecteeren en daarbij zoo vergrooten, dat ze er als kamers uitzagen, men zou nooit een gedachte of hartstocht of angst of iets dergelijks waarnemen. Iemand, die juist omgekeerd misschien weer wat al te eenzijdig op het geestprincipe den nadruk legde, zei: „een gedachte, bijv. 2 X 2 = 4, is niet lang of breed, niet boven of beneden, niet meetbaar of weegbaar, maar het is het absoluut andere. Bij alle wetenschap, ook bij de naturalistische, wordt allereerst en altijd het bewustzijn, dus het hoogere, reeds voorondersteld. Dit is het eerst gegeven; de andere werkelijkheid wordt pas daarna opgemerkt. Het naturalisme zet de dingen op den kop."

Er is een spontaneïteit en vrije activiteit van het hoogere. We weten en denken niet maar, doch we weten ook, dat we weten en denken over het denken. — Bij den mensch is het „ik" ongetwijfeld iets oorspronkelijks. Er is geen gedachte, geen streving, geen gevoel, geen gewaarwording, welke niet een centrale betrekking heeft, een betrekking op het ik. Het moge dan al eens voorkomen, dat het lijkt alsof het denkt, het wil, het gevoelt in den mensch, op momenten, waarop hij zich waarlijk mensch weet is er een krachtig persoonsbesef, is er een onwrikbare overtuiging, dat er is een ik, een persoonlijk ik, dat denkt, en wil, en gevoelt.

Doordat alzoo de psa zich doet kennen als een duidelijken vorm van naturalisme, valt het niet moeilijk, de gebreken welke haar deswege aankleven in het licht te stellen. Ze moet mank gaan aan tal van innerlijke tegenstrij digheden.

Al dadelijk blijkt dit bij de verdringingshypothese, dus bij één van haar hoofdgedachten.

Verdringing vooronderstelt uiteraard tweeërlei: 1. hetgeen verdrongen wordt, 2. datgene, wat de verdringing bewerkt.

Freud erkent slechts één oorspronkelijk principe n.1. het levensprincipe, in hoofdzaak vertegenwoordigd in het „Es". Wat hieruit opwelt loopt kans, teruggedrongen te worden. De kracht, die zich als verdringer doet gelden, verschijnt in verschillenden vorm en heet afwisselend: censor, ik, „Über-ich , weerstand, schaamte, geweten, moreele voorstellingsmassa enz. Ze kan niet oorspronkelijk zijn doch moet — hoe dan ook — uit het oerprincipe zijn voortgekomen. Meermalen spreekt Freud het pertinent uit, dat deze „tegenstander", die de conflicten en de verdringingen veroorzaakt, ook zelf langs den weg van het conflict is ontstaan. Men gevoelt de inconsequentie. Hier is notabene een censor, die door censuur ontstond, toen er nog geen censor was. Spottend sprak iemand in dit verband van een cipier, van een wachter, die tegelijk ook gevangene zou zijn. Het beeld is juist. Wat in den mensch geen „Es" is, heet gevolg van verdringing en sublimeering; maar ditzelfde „gevolg" is het, hetwelk de verdringing bewerkt. Het gevolg is dus tevens oorzaak. — Van psa.-zijde is vaak