is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet op deze vraag te antwoorden: „Op den keper beschouwd: niets!" Ze heeft aan den opvoeder niet alleen niets goeds te bieden, maar laat voor waarachtige opvoeding zelfs geen plaats, heft door haar extreem-naturalistische principes alle opvoedingsmogelijkheid a priori op.

Freud zelf.

Ten slotte een woord over Freud zelf. Dat hij een genie is, zal niemand ontkennen. Ook moet hij, volgens uitspraken van menschen, die hem zeer van nabij leerden kennen, een „goed karakter" hebben. Toch schijnt er iets te zijn, dat hem van kindsbeen af gehinderd heeft. Wanneer Nietzsche zegt: „het genie is de subliemste machine, die bestaat — en derhalve de breekbaarste", dan zou men van Freud, die een genie is, misschien mogen zeggen, dat hij is gebroken en wel reeds in zijn prille jeugd. Het spreekt van zelf, dat ook Freud voor analyse vatbaar is, dat ook bij hem bepaalde jeugdbelevingen, met name die, welke hem tot op z'n oude dag zijn bij gebleven, van beslissende beteekenis zijn geworden voor zijn verdere ontwikkeling. (Men vergelijke: E. Michaelis: Die Menschheitsproblematik der Freudschen Psa., 1925.) Meermalen, vooral in zijn „Traumdeutung", vertelt hij van die jeugdherinneringen. Een tweetal laten we hier volgen.

Sigmund Freud wandelt als kleine dreumes met zijn vader. Deze vertelt hem bij die gelegenheid: „Toen ik zoo oud was als jij, Sigmund, liep ik eens op het trottoir. Jongens sloegen m'n pet af, zoodat die op den rijweg viel; en ze snauwden me toe: van het trottoir af, vuile jood. — Ik raapte m'n pet op en liep niet meer op het trottoir." Dit verhaal heeft Sigmund ten diepste gekrenkt. Hij was in z'n vader bitter teleurgesteld. Later dacht hij aan Hannibal, die zijn zoon voor het altaar liet zweren, zich eenmaal op de Romeinen te wreken.

Een andere herinnering.

Freud's vader lijdt aan een ingewandsziekte en sterft. De doode verspreidt een vreeselijke lucht. Jongens zeggen op hatelijken toon tegen Sigmund: „Je ouwe heer stinkt, Sigmund".

Daar Freud een uiterst teer gevoel bezat, hebben dergelijke ervaringen de kinderziel ten zeerste verwond. Uit de zwaar gedrukte kinderlijke gemoedsgesteldheid, werd een pessimistische kijk op mensch en leven geboren. Al vroeg is in den jongen Freud het ideaal ten onder gegaan. Maar de wraak is in hem nooit gestorven. Bewust of waarschijnlijker onbewust heeft Freud op zijn leer het stempel van de wraak gezet. In zijn leer wreekt hij zich op de menschheid om de krenking, die zij zijn geliefden vader liet wedervaren. —< Dat Freud ontzaglijk veel van zijn vader heeft gehouden, bewijst reeds het feit, dat in zijn leer de vader-figuur wel de allerbelangrijkste factor is voor de infantiele belevingen. In geen psychologische leer heeft deze figuur een zoodanige beteekenis als juist in Freud's theorie.

Het valt niet te loochenen, dat Freud met z'n wraakoefening, dank zij z'n genialiteit, zijn (onbewuste) doel heeft bereikt. Nog altijd verricht zijn theorie haar verwoestenden arbeid aan religie en moraal. De psa treedt op met de pretentie den zieken mensch te helpen en te genezen — maar op voorwaarde, dat die mensch alle waarachtige menschelijkheid eerst van zich aflegt. In plaats van zich geschapen te weten naar Gods beeld, moet