Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gene beweert, dat hij werkelijk dom is. Uiteenzettingen in woorden of straffen zonder einde kunnen in dit geval niet genezend werken; men moet den knaap bij zijn werk steunen; men moet hem vriendelijk en zoo onopvallend als mogelijk is behulpzaam wezen; hem een goede beurt laten maken; karweitjes laten verrichten. Aanvankelijk zal hij zelf nauwelijks bevroeden, waardoor hij opeens minder lust tot ordeverstoren heeft. Is zijn minusgevoel wat geweken — want dit was het, wat hem uit het goede spoor dreef — is door voldoende aanmoediging eenmaal het gewenschte contact ontstaan, dan zijn ook bij een overigens dommen jongen maar weinig woorden noodig, om hem zijn vroegere gedrag op te helderen.

Vóór alles is noodzakelijk, dat de opvoeder zich zelf kent. De meeste conflicten, wanorde in de klas etc. zijn gevolg van het feit, dat de onderwijzer of leeraar hierin te kort schiet. Altijd heet het, dat de klas niet deugt maar regel is, hoe hinderlijk het klinken moge, dat de klassecommandant te weinig gemeenschapszin bezit; hij is te „ikzuchtig", niet „zakelijk" genoeg.

Künkels terminologie.

De beide laatste termen zijn van Künkel, ongetwijfeld de scherpzinnigste en zelfstandigste discipel van Adler.

Zijn betrekkelijke zelfstandigheid tegenover Adler treedt op verschillende punten naar voren, soms door het invoeren van nieuwe termen, soms door een eigen voorstellingswijze, soms door een eenigszins somberder kijk op het verloop van het genezingsproces bij hen, die al te sterk aan het „ik" gebonden zijn.

Overeenstemming bestaat er ten aanzien van de principia der individualiteit (= ongedeeldheid van den persoon) en der finaliteit, omtrent de verhouding tusschen gemeenschap en individu en de prioriteit van de eerste. En tot nog toe in hoofdzaak ook met betrekking tot de toepassing der genoemde grondgedachten.

Maar Künkel zegt het vaak anders. Het zich ongedwongen in dienst stellen van de gemeenschap bijv. noemt hij zakelijkheid, („Sachlichkeit"), het streven van een minuspositie naar een plus-positie: ikzucht („Ichhaftigkeit"). De spanning tusschen beide (het „principe der polariteit") is geringer naarmate de zakelijkheid grooter is. Zakelijkheid en ikzucht zijn omgekeerd evenredig. Wie louter zakelijk is, is een heilige; wie louter ik-zuchtig is, is krankzinnig. — Gewone menschen zijn zoowel het één als het ander, d.w.z. zoowel zakelijk als ik-zuchtig.

Voor een deel hangt Künkel's eigen manier van zeggen samen met een voorstellingswijze, zooals men die in Adler's werken niet vindt. Om bij de uiteenzetting daarvan duidelijk te zijn, moeten we ons een kleine uitweiding veroorloven.

Künkel merkt op, dat men vroeger moest kiezen tusschen idealisme en materialisme (of tusschen dogmatisme en empirisme). Heeft men zich eenmaal op een bepaald -isme vastgelegd, dan acht men daarna elk ander -isme fout. Künkel wil tusschen beide geen keuze doen. Met den Engelschman zou hij den idealist kunnen toevoegen: „more matter, never mind so much about mind"; en den „materialist : „more mind, never matter so much about matter". Beide richtingen vertoonen een bepaalde

Sluiten