Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

organisme en „veld" vormen niet een tegenover-elkander maar een metelkander, een systeem, een totaalsamenhang, een gestalte.

In dit „systeem" treedt in het bijzonder de functioneele dynamiek naar voren (vgl. boven: criterium 3.). „Wat aan het geheel gebeurt werkt zich in de deelen uit", — Al hetgeen samenhangt met aanpassing aan het milieu kan hierbij betrokken worden: Een visch op het droge, een kat in een vreemd pakhuis, een schaap tusschen wolven, een mensch in ballingschap etc., ze zijn uit hun element geraakt. Het „systeem" is ongewoon, is anders geworden. De verandering van systeem werkt zich in de deelen uit, hoofdzakelijk in het levende wezen. Dit vindt of een nieuwe aanpassing of — het gaat te gronde. De lichaamsbouw der dieren, hun zintuiglijk apparaat, de wijze waarop ze aan voedsel komen in verband met den aard van het voedsel zelf, het hangt alles samen met een aangepast zijn aan de „Umwelt".

Enkele voorbeelden en bijzonderheden kunnen ter verduidelijking dienen.

Een spin vindt haar voedsel niet anders dan door middel van een web; een andere manier bestaat voor haar niet. Spin, web en omgeving vormen samen een systeem, waarin aanpassing bestaat. Zet men een hongerige spin onder een stolp met vliegen, dan gaat de spin dood van honger; in dat systeem, in die „gestalte" ontbreekt een lid, een structuurdeel, n.1. het web. De spin is zoodanig georganiseerd, dat zij alleen zinvol reageert op een „vlieg-in-het-web"; een vlieg onder een stolp wordt als voedsel blijkbaar niet herkend.

Denken we ons een aan drie zijden gesloten ruimte, een stuk kippenren bijv.

~~ ) x = een hongerige kip

v • o

; A o = voedsel i

•. - ^ | = kippengaas.

Het geheel is een systeem. — Wat doet de kip? Ze loopt in steeds sneller tempo voor het gaas heen en weer, omdat ze regelrecht naar het voedsel wil; en daar blijft het bij. — Laat het kruisje nu een hongerige hond zijn. De hond maakt bijna onmiddellijk den door de kromme lijn aangegeven omweg. Vanwaar dit verschil? Een gewoon mensch zou zeggen: „Een hond is verstandig, heeft intellect; een kip is dom. En wat de spin van zooeven betreft, die is nog dommer". — Wil men het minder alledaags uitdrukken, dan zegt men: de spin verricht uitsluitend instincthandelingen, en die zijn nu eenmaal voor wijzigingen nagenoeg niet vatbaar; de kip kan door dressuur het welhcht zoover brengen, dat ze op den duur den omweg „leert" maken; de hond heeft intellect, d.w.z. hij weet in allerlei situaties zich te helpen en uitwegen te vinden. De gestaltepsycholoog redeneert aldus: „het geheel der prikkels, de „prikkelconstellatie" aan den eenen kant, physiologische gestaltedispositie, aard en rij pingsstadium van het individu aan de andere zijde vormen de voorwaarden, waarop de gestaltebeleving tot stand komt". M.a.w.: de spin is zoodanig gestructueerd, dat zij alleen in het web-systeem het voedsel herkent; de kip is zoodanig georganiseerd, haar gestaltedispositie in het

Sluiten