Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder omstandigheden bezitten, maar ook niet bezitten. In het laatste geval kan men spreken van het „onbewust psychische".

In het algemeen mag men zeggen, dat bewustzijn voorwaarde is voor de mogelijkheid, dat organische schepselen, die zich verplaatsen kunnen en die over zintuigen beschikken, met de omgeving in levenscontact komen. Planten en de laagste diervormen zijn alzoo uit te sluiten. Bij dieren is het bewustzijn volkomen bepaald door dit contact met de omgeving. Niets interesseert het dier, wat niet in onmiddellijk verband staat met zijn levensbehoeften. Honger, strijd tot zelfbehoud, het bespeuren van buit en van gevaar, geslachtsdrift, verhouding tot soortgenooten e.d. zijn de factoren, welke het dierlijk bewustzijn opwekken. Werken die factoren niet, dan zinkt het bewustzijn in. Het ligt geheel besloten in den ban der instincten. Boven een vitaalbewustzijn komt het dier niet uit. Zooals kiezen dienen om te bijten, klauwen om te grijpen, zoo dient dit vitaalbewustzijn het dier ter oriënteering in z'n „Umwelt", in z'n omgeving Men kan dan ook gevoegelijk aannemen, dat dit vitaalbewustzijn wel steeds en uitsluitend „naar buiten" is gericht.

Anders bij den mensch. Iedere poging, het menschelijk bewustzijn te willen beschouwen uitsluitend als een dergelijk vitaalbewustzijn verraadt een evolutionistische zienswijze. Hoezeer het onder omstandigheden, wanneer het leven bedreigd wordt en dus in gevaar is den schijn moge hebben, als gedroeg de mensch zich louter als instinctwezen en als diende het bewustzijn enkel ter oriënteering, tot het vinden van voedsel en veiligheid, zoo blijft nochtans het menschelijk bewustzijn essentieel verschillend van het dierlijke vitaalbewustzijn. De mensch is niet maar een vitaal, doch ook, ja allereerst een geestelijk, een persoonlijk wezen. Daardoor is niet alleen zijn verhouding tot de omgeving wezenlijk verschillend van die van het dier, maar draagt ook zijn bewustzijn een totaal ander karakter. Het meest kenmerkende is wel dit, dat door alle menschelijk bewustzijn een zich-zelf-bewustzijn heen speelt. Is er bij het zuivere vitaalbewustzijn uitsluitend een naar buiten gekeerd zijn, bij het menschelijk, persoonlijk bewustzijn is de reflexie niet dan bij uitzondering geheel afwezig.

Het bewustzijn, eenmaal tot afzonderlijk voorwerp van onderzoek gemaakt, werd almeer tot één der moeilijkst te beschrijven phaenomenen in wijsbegeerte en psychologie. Het is zeker de moeite waard, de aandacht te vestigen op enkele omschrijvingen van het bewustzijnsbegrip, zooals men die, vaak in samenhang met nieuwe psychologische theorieën, in de literatuur van den laatsten tijd kan vinden. Bij de bovengenoemde drie schakeeringen toch, die verband houden met het woordaccent, is het niet gebleven. We merken de volgende op:

1. De ruimtelijke opvatting. Meestal hebben we hier met onschuldig spraakgebruik te doen. Men bedient er zich geregeld van in het dagelijksch leven. Doch ook de psycholoog spreekt gemakshalve wel van „komen in het bewustzijn", van „buiten resp. binnen het bewustzijn" e.d. Soms ligt aan dit spraakgebruik toch een bepaalde zielsbeschouwing ten grondslag. Men denkt zich dit bewustzijn als een reservoir, waarin de psychische inhouden zich bevinden of zich bevinden kunnen. Herbart met name is

Sluiten