is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

acten. Voor den positivist is — ook God in de werkelijkheid niet te vinden. Erkend wordt enkel, wat direct, wat positief gegeven is. Wat daarbuiten valt bestaat eenvoudig niet. Hiertegenover stellen wij, dat alle belevingen naar acten, de acten naar functies en dat deze tezamen naar een individueel, persoonlijk ik heenwijzen.

Behalve denkend en kennend is de mensch ook handelend en lijdend wezen. Voorts is hij niet maar een enkeling met eigen bestaan maar evenzeer gemeenschapswezen met sociale, historische, maatschappelijke relaties. Inzonderheid is hij een ethisch-religieus wezen; boven alles staat de verhouding tot God den Schepper.

Lettend op al die verhoudingen zal men, sprekend van een ik, het oog nu eens hebben op den mensch als totaalwezen met al wat tot zijn invloedssfeer behoort (het ik in sociale beteekenis), een ander maal zal men doelen op het ik in zeer engen zin, n.1. als innerlijke, verantwoordelijk zich wetende persoon, als de persoon, die eeuwigheidswaarde bezit. Sterft een mensch, zoo is het deze innerlijke, individueele persoon, die onsterfelijkheid aandoet en die dan los is van alle aardsche bindingen.

Het ik wendt zich met z'n functies, aandriften en energieën naar de wereld en naar zich zelf toe. Als de voornaamste aandriften noemden we de religieuse aandrift als de diepste van alle, die de verhouding van Schepper en schepsel representeert'; dan de sociale, als drang naar den ander; en eindelijk de ego-drift als die, welke wel het meest en het sterkst aan den dag treedt, en die bewaring of verhooging der zelfwaarde beoogt.

Met betrekking tot het kennen kan men vaststellen, dat er heel wat bronnen zijn, waaruit den mensch de kennis van het geschapene toevloeien. Door verschillende kanalen. Het bewustzijn en zelfbewustzijn is een kenbron, de introspectie een daarbij aansluitend kanaal; evenzoo is er de zintuiglijke waarneming met de zintuigen als kanalen; de dynamische werkelijkheid met de dynamische weerstandservaring als kanaal; de veelsoortige waarden met het gevoel als waardeeringsfunctie; het zieleleven van den ander als kenbron met het sympathetisch aanvoelen als kenkanaal; de principia, axioma's, wezensverhoudingen e.d. als kenbron en de redelijke intuïtie als kenmiddel; tenslotte de Openbaring van God den Schepper en het religieus geloof, dat onder leiding des Geestes die Openbaring doet verstaan (vgl. Stoker, a.w., p. 41).

Op allerlei terrein heerscht een vaste wetmatigheid, waaraan ook het ik met al zijn functies, acten en krachten gebonden is en waardoor het individueele zich laat invatten in het algemeen geldende. Die wetmatigheid bestaat onafhankelijk van en ligt buiten alle subjectieve competentie. Moderne denkers spreken hier gaarne van „objectieven geest"; wij daarentegen belijden, dat hier merkbaar is de scheppende hand Gods, en Gods Voorzienigheid, die orde bracht en onderhoudt. In Zijn geschapen cosmos in het algemeen, in 's menschen leven in 't bijzonder.

Op het gebied der gewaarwording heerscht een groote algemeene geldigheid. Wij zien wel alle dingen op eenigszins eigen wijs, toch is er veel wat allen samen zien. Hier staan we voor de norm: de werkelijkheid, die wij allen als menschen te eerbiedigen hebben.

Op het gebied der mneme heerscht de norm der betrouwbaarheid. —