is toegevoegd aan uw favorieten.

De Post-acta of Nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden, naar den authentieken tekst in het Latijn en Nederlandsch uitgegeven en met toelichtingen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger en later tijd vindt 1), dat nl. de later uitgegeven acta der Synode de Acta Contracta van Damman zouden zijn. Dit is de eerste „legende" omtrent de Dordtsche nalatenschap, waaraan iedere historische grond ontbreekt. Niemand zal thans langer het feit kunnen betwijfelen, dat op last der Generale Staten de Acta Contracta van Damman zijn ter zijde gelegd, het desbetreffende besluit der Dordtsche Synode is te niet gedaan en in plaats van deze Acta Contracta het oorspronkelijk Journaal van Hommius is uitgegeven. Een besluit van de Generale Staten, waarover de Kerken intusschen niet hebben te klagen, want de Acta Contracta kunnen wat volledigheid aangaat niet in de schaduw staan van de Acta der Synode, gelijk wij die thans bezitten.

De door de Generale Staten benoemde Commissie, bestaande uit de drie professoren in de Theologie te Leiden, Johannes Polyander, Antonius Walaeus en Antonius Thysius ; den professor in de Historie, Daniël Heynsius, de regenten van het Staten College en het Waalsch College Festus Hommius en Daniël Colonius, en den ouderling Johannes Latius 2) toog met spoed aan het werk. Het leeuwendeel aan dezen arbeid had Festus Hommius 3) ; ook de praefatio ad Ecclesias reformatas, die voor

*) Men vindt deze voorstelling niet alleen in de Nulliteyten des Nationalen Svnodi 1622, I, p. 57 en bij Leydekker, Eere der Nat. Syn. I, p. 717, 718, maar zelfs bij Heringa, Twistzaak van Maccovius, Archief voor Kerk. Gesch. III, p. 660; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. Kerk, II, aant. p. 174 en Glasius, Gesch. der Dordtsche Synode, II, p. 5 noot.

2) Het vermoeden van Heringa (Archief voor Kerkel. Gesch. III, p. 661) dat aan deze Commissie als actuarius zou zijn toegevoegd Balthazar Lydius, berust op een misverstand. Heringa meent nl. dat de Cautio achter het Journaal van Hommius (zie pag. 44) afkomstig is van deze Leidsche Commissie, en omdat deze Cautio geteekend is door Polyander als praeses conventus en Lydius als actuarius, beweert hij, dat Lydius aan de Leidsche Commissie is toegevoegd. Gelijk vroeger bleek, is de bedoelde Cautio niet afkomstig van de Leidsche Commissie maar van de Revisores, door de Dordtsche Synode benoemd. Heringa valt hier voor den almanak. De Cautio is van 15 November 1619 en de Leidsche Commissie werd eerst 16 Januari 1620 benoemd.

8) In het Vita Walaei, geplaatst voor diens Opera Omnia ed. van 1647, schrijft Walaeus' zoon, na gemeld te hebben, dat ook zijn vader in de Commissie tot uitgave der Acta zitting had: sed maxima editionis laus Festo Hommio debetur qui in scriptura