is toegevoegd aan uw favorieten.

De Post-acta of Nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden, naar den authentieken tekst in het Latijn en Nederlandsch uitgegeven en met toelichtingen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En wel is het volkomen waar, dat de Gedeputeerden tot visie van de Autographa in 1659 meenden, dat de Post-Acta zoek waren geraakt, omdat dit stuk niet afzonderlijk op het door hen gebruikte Register vermeld stond x), en is toen negen jaar lang overal naar de Post-Acta gezocht, maar de oorzaak daarvan was alleen dat deze Gedeputeerden wel de registers, maar niet de stukken zelf nazagen 2). Toen dan ook in 1668 een snuggerder Commissie op den inval kwam, de autographa zelf te onderzoeken, bleek plotseling, dat datgene, wat men tot in Friesland gezocht had, zich in de Synodale kist zelf bevond; of gelijk zij later zelf rapporteerden : „dat by die occasie oock gevonden is het lang gesogte autographum van de Post-Acta Synodi Nationalis DorcP racenae, in de Casse daer in de selve schriften sijn opgesloten in een boeck geteekent met de letter O" 3).

Het is te begrijpen, dat de gedeputeerden met deze vondst blijde waren en terstond de gedachte bij hen opkwam in een lang gevoelde behoefte te voorzien door de nog nimmer officieel uitgegeven Post-Acta in druk te doen verschijnen. Want wel was, gelijk zij berichten, nu „hier en daer in druck gesien seecker blauwe boecxken geintituleert post-acta synodi Nationalis" (hiermede is naar alle waarschijnlijkheid de uitgave te Zutphen van 1663 bedoeld, zie p. 17) maar deze uitgave was „sonder publycque authoriteyt" geschied, en toen men haar vergeleek „met het authentycque, dat geschreven is met de hand D. Festi Hommii" bleek het „seer defectueus" 4). Men besloot daarom een request te zenden aan de Staten Generaal met het verzoek,

voluminis. Bovendien staat het vast, dat in 1625 de Post-Acta er waren, omdat de Zeeuwsche broeders in deze vergadering verlof vroegen en kregen om de Post-Acta te copiëeren (Oud Syn. Arch. I, il).

*) In de Acta Dep. over de visie der Autographa v. 17 Juni 1659, Art. VI, wordt dit uitdrukkelijk vermeld (Oud Syn. Arch. I, 11).

2) Gelijk reeds volkomen terecht werd opgemerkt door Heringa, Berigt aangaande 7 stellingen, p. 52 en door H. J. Rooyaards in het Arch. voor Kerk. Gesch. IX, p. 528, 9 en in zijn Hedendaagsch Kerkregt, II, p. 185, noot 3 e. a.

3) Zie de Acta van 12 Juni, Art. V, 1668, (Oud Syn. Arch. I, 11) en de Acta der Zuid-Holl. Syn. van 1668, Art. 24.

4) Oud Syn. Arch. I, 11 (zitt. v. 12 Juni 1668, Art. VII).