Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn bedenkingen moest openbaren, alleen genoemd is de Provinciale Synode of hare gedeputeerden; 4e dat de straf hier niet is „gesuspendeerd te worden van hun dienst," waartoe de kerken natuurlijk geen macht hadden, maar gecensureerd te worden. ') Het formulier is wel door de Synode goedgekeurd, maar het schijnt, Groningen's Universiteit uitgezonderd, aan geen Hoogeschool in gebruik te zijn gekomen (zie mijn Opleiding tot den Dienst des Woords, I, p. 507—511). Zelfs heeft het formulier in Zuid-Holland aanleiding gegeven tot een langdurigen strijd tusschen de Professoren, achter wie de Curatoren stonden, die van geen subjectie aan de Provinciale Synode wilden weten, tenzij hun als compensatie ook stemrecht in de Synode werd gegund, en de kerkelijken, die wèl de subjectie wilden, maar aan de Professoren geen zitting wilden geven in de Synode. Zie hierover N. C. Kist, Onderteekening der formulieren door de Professoren, in het A rchief voor Kerkelijke Geschiedenis, Deel IX, p. 475 en v.v.; Dr. A. Kuyper, de Leidsche professoren of de Executeurs der Dordtsche Nalatenschap ; Dr. J. J. van Toorenenbergen, Hoe een deel der Dordtsche Nalatenschap verzaakt werd ; Dr. A. Kuyper, Revisie der Revisie legende; het opstel van Prof. Goossen in Geloof en Vrijheid, 1879, p. 488, en mijn Opleiding tot den Dienst des Woords, I, p. 504 en v.v. — Volgens Heyngius is daarna ook voorgelezen het onderteekeningsformulier voor deRectoren en Schoolmeesters, waarvan Hommius den tekst opnam in de acta der xÓ4e sessie. — Daarna is de Synode, wat de onderteekening der belijdenisschriften door de Ouderlingen en Diakenen betreft, op haar besluit in de 164® sessie genomen, teruggekomen: „aengaende het onderteeckenen van de Ouderlingen ende Diaconen (waervan hierboven sessione 156 (d. i. 164) gewach gemaect is) is om redenen goet gevonden hetselve te laten inde discretie vande respectieve Classen ende Provinciale Synoden, om daerin sulx te doen als sy nae gelegenheyt van haere kereken sullen bevinden nodich te syn" (Heyngius p. 221). — Volgens

*) Heyngius deelt het formulier in extenso mede, en deze Hollandsche tekst komt geheel overeen met den tekst der Hollandsche post-acta.

Sluiten