Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te keuren, of aan de beide scriba's, maar nam toch reeds over de liturgie in het algemeen twee belangrijke beslissingen. Vooreerst dat de liturgie, na herzien te zijn, bij de publieke schriften zou gevoegd worden. Het is dus volkomen juist, wat de Friesche Staten, in hun strijd met de Hollandsche Staten over de eigenmachtige verandering, door de laatstgenoemden in de voorbede voor de Overheid aangebracht, opmerkten, dat hierin de approbatie ligt van de liturgie als zoodanig'). De voorgaande nationale Synoden hadden zijdelings het gezag van verschillende formulieren 2) erkend, maar de liturgie als geheel was kerkelijk nog niet gesanctioneerd. Door te bepalen, dat de herziene liturgie bij de publieke geschriften zou worden gevoegd, werd de liturgie thans voor het eerst met publiek gezag bekleed. En in de tweede plaats — dit besluit moest wel op het voorgaande volgen, — werd nu ook vastgesteld, welke geschriften tot deze officieel goedgekeurde liturgie zouden behooren, nl. de publieke gebeden, de formulieren voor de bediening der Sacramenten, voor de oefening der kerkelijke discipline, voor de bevestiging der predikanten, ouderlingen en diakenen en voor de inzegening van het huwelijk. Ongetwijfeld ligt in deze opsomming ook de aanwijzing van de volgorde, waarin zij behooren gedrukt te worden.

De genoemde Revisores hebben echter, evenmin als de beide scriba's, den hun opgelegden last vervuld ; dat wil zeggen, zij hebben niet, zooals de Synode hun had opgedragen, een authentieke uitgave bezorgd van de publieke geschriften met de

x) L. van Aytzema, Saken van Staet en Oorlogh, 1Y, Q93—1035. Ook Ypey en Dermout, 1. c. II, aant. p. 173, houden het gevoelen der Hollandsche Staten nog vol.

s) In de Kerkenordening van 's Gravenhage werden reeds genoemd het formulier van den Doop, Art. 5 2; van het Avondmaal, Art. 5 5 ; van de bevestiging der predikanten, Art. 4; der ouderlingen en diakenen, Art. 20, 22; van den Ban, Art. 69 en van de wederopneming, Art. 71. Maar noch het gebruik der publieke gebeden, noch dat van het huwelijksformulier werd door de Kerkenorde voorgeschreven. Het is opmerkelijk, dat niet alleen in de Haagsche K. O. maar ook in alle vroegere Synoden over het gebruik van het huwelijksformulier geen woord gesproken wordt. Wel werd in sommige Provinciale Synoden het huwelijksformulier verplicht gesteld; zoo door de Synode van Overijssel in 1587 (Reitsma, Acta der Prov. Syn. V, p. 353) en door de Synode van Friesland in 1589 (1. c. VI, p. 40).

Sluiten