is toegevoegd aan uw favorieten.

De Post-acta of Nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht in 1618 en 1619 gehouden, naar den authentieken tekst in het Latijn en Nederlandsch uitgegeven en met toelichtingen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Oost-Indien sal mogen doopen, die teenenmaal overgegaen sijn in de familie der Christenen, ende die een Christen hebben, die belouet deseluige in de Christelycke religie op te voeden" 1). De Kerkeraad, die deze brieven in Maart en November 1618 ontving, besloot half November, deze twee punten te zenden aan de Noord-Hollandsche „gedeputeerde op het Synodium Nationael", opdat zij aan de Synode zouden worden voorgesteld. De eerste vraag hield Rolandus terug, gelijk hij zelf later schreef „om de eere van (den) kerckenraet, als synde des voorstellens onweerdigh, want het buiten dispute is, dat soodanigen doop geenen doop en can verstrecken," maar de tweede diende Trigland bij de Synode in2). Over deze vraag is gedebatteerd in de 18e, ige en 2ie zitting 3) en het besluit, dat de Synode ten slotte nam, staat in de Acta Synodi p. 51.

Gelijktijdig met deze particuliere vraag uit de Indische kerken is behandeld het derde gravamen, dat door de Zeeuwsche Synode was ingezonden over de wijze, waarop de studenten en candidaten in de heilige Theologie het best konden worden voorbereid voor de bediening des Woords (N°. 8). De Zeeuwsche afgevaardigden hadden zelf een breed praeadvies over deze zaak opgesteld, dat terstond werd voorgelezen. Bij de discussie over deze vraag, die in de 18e, 19e, 20e en 2ie zitting behandeld werd, bleek dat in het Zeeuwsche gravamen eigenlijk twee vragen lagen opgesloten : 1 °. welke rechten aan een candidaat in de theologie met het oog op zijn toekomstig ambt moesten worden gegund; of hij mocht preeken, doopen, kerkelijke vergaderingen bijwonen, zieken bezoeken, enz. en 20. wat de beste wijze was, waarop de studenten bij hunne studie konden gevormd worden voor de be-

s) F. L. Rutgers, Het Kerkverband der Nederl. Geref. Kerken, p. 187, 189 en 190.

2) Rutgers, 1. c. p. 190 en C. Sibelius, Annot. ad Syn. Dordr.

3) Acta Synodi, p. 48 en 51. De Acta zijn over dit punt zeer kort; vermoedelijk liet men de discussie weg, omdat er in de Synode nog al verschil van meening heerschte over deze vraag. Zie voorts Heyngius, p. 29, 31, 33 en 37; Barlaeus, Epist. praest. ac erud. viror. p. 515, Hales, Golden remains, p. 387, 390, 392, 393, 399, 400 en Litt. del. Hass. 1. c. p. 247. Volgens de eenstemmige berichten van al deze ooggetuigen is het besluit der Synode, dat in de Acta staat opgenomen in de 19e zitting (3 December), eerst voorgelezen en goedgekeurd in de 21e zitting (5 December).

27